Parlementaire vraag nr. 85 van de heer Hatry van 02.05.1996
VRAAG 96/085
Bull. nr. 765, pag. 2356
Fiscaal stelsel van toepassing op de erfpacht.
Ik verwijs naar mijn parlementaire vraag nr. 743 dd. 21 april 1994, die, tot mijn verbazing, door de geachte minister in zijn antwoord op een bijzondere wijze werd geïnterpreteerd.
Ik ben zo vrij te bevestigen dat mijn vraag wel degelijk een algemene strekking had en daarom zo was geformuleerd.
Ter illustratie van het probleem dat de interpretatie van artikel 183 WIB 1992 doet ontstaan, wil ik hier een geval uit de praktijk beschrijven betreffende een situatie als bedoeld in de artikelen 7, § 1, 3°, en 10 WIB 1992.
Wanneer de erfpachtovereenkomst niet voorziet in een eigendomsoverdracht van rechtswege aan de gebruiker op het einde van het contract of in een aankoopoptie voor de gebruiker, wordt de eigenaar belast op het geheel van de ontvangen bedragen, met inbegrip van het gedeelte van de vergoedingen dat strekt tot, zelfs volledige, wedersamenstelling van het kapitaal dat geïnvesteerd werd in de oprichting van een gebouw of, in het geval van een bestaand gebouw, van de venale waarde ervan. Indien de eigenaar een vennootschap is, verschijnt het bouwwerk of het gebouw, door toepassing van de reglementering inzake boekhouding, niet langer op de actiefzijde van de balans. Dit geldt in ieder geval wanneer men te maken heeft met een contract dat volgens deze reglementering beschouwd wordt als een overeenkomst van huurfinanciering. De eigenaar zal bijgevolg geen boekhoudkundige afschrijvingen kunnen doen, wat hem, door toepassing van artikel 61 WIB 1992, ook verhindert fiscaal af te schrijven.
Als de artikelen 7, § 1, 3°, en 10 WIB 1992, van toepassing zouden zijn op vennootschappen, dan zouden ze, in combinatie met artikel 61 WIB 1992, de vennootschappen in een economisch onhoudbare positie brengen.
Wat de interpretatie van artikel 204 van het uitvoeringsbesluit WIB 1992 betreft, zal ik als voorbeeld het antwoord nemen van de geachte minister van 8 januari 1991 op een vraag van volksvertegenwoordiger Kubla. Volgens de geachte minister is de huur die vooraf door een vennootschap wordt geïnd belastbaar wanneer hij definitief wordt verworven zonder terugbetalingsclausule. Hoe valt een dergelijk antwoord te rijmen met lid 1 van de voornoemde bepaling, te meer daar ze, zoals vermeld staat in het opschrift van de afdeling waarvan ze deel uitmaakt, van toepassing is op vennootschappen ?
Ik voeg eraan toe dat het standpunt van de geachte minister bovendien schijnt te zijn weerlegd door een arrest van het Hof van beroep te Brussel van 22 juni 1995.
Mag ik vragen aan de geachte minister:
| 1. | Dat hij een volledig antwoord zou geven op de reeds gestelde en hier verder toegelichte vraag; |
| 2. | Dat hij voor de twee bijzondere gevallen die hierboven bij wijze van voorbeeld werden beschreven, een aanpak voorstelt die past in het algemene kader dat hij heeft vastgesteld ? |
ANTWOORD
Overeenkomstig een vaste rechtspraak worden alle activa van een vennootschap, voor de toepassing van de belasting, geacht voor de uitoefening van haar winstgevende activiteit te worden gebruikt, zodat de inkomsten van deze activa bijdragen tot het behalen van de in principe belastbare maatschappelijke winst.
In dat verband bepaalt artikel 183 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) dat indien de aan de vennootschapsbelasting onderworpen inkomsten, wat hun aard betreft, dezelfde zijn als die welke inzake personenbelasting worden beoogd, het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst.
Daaruit volgt dat de artikelen 7, § 1, 3°, en 10, WIB 92, ter zake niet van toepassing zijn en dat het totaal van de in de vraag bedoelde termijnen in principe zou moeten worden opgenomen onder de belastbare winst.
Wanneer evenwel de vennootschap-verhuurster op het actief van de balans onder de posten V, B en VII, B, het gedeelte van de vordering boekt dat strekt tot de wedersamenstelling van het kapitaal ingevolge een overeenkomst van erfpacht die op boekhoudkundig vlak als leasing wordt aangemerkt, vormen de in de termijnen begrepen bedragen die dienen tot de wedersamenstelling van dat kapitaal geen belastbare inkomsten.
Bijgevolg is de door het geachte lid in zijn eerste vraag in fine uitgedrukte vrees ongegrond.
Wat de interpretatie betreft van de artikelen 204 en 205 KB/WIB 92 alsmede van het in de vraag bedoelde toepassingsgeval, kan ik het geachte lid mededelen dat een voorziening in Cassatie werd ingediend tegen het arrest van 22 juni 1995 van het Hof van beroep te Brussel, zodat het aangewezen lijkt af te wachten alvorens een definitief standpunt in te nemen.
Bron: FisconetPlus
