Parlementaire vraag nr. 911 van de heer Goutry van 06.09.2005

Parlementaire vraag nr. 911 van de heer Goutry dd. 06.09.2005

Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 097, blz. 17472-17474

Forfaitaire beroepskosten - Artsen

VRAAG

Uit verschillende parlementaire vragen, waarvan de recentste, van de heer Hatry, van 18 november 1998 dateert (nr. 1458) ( Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 1-93, blz. 4905), blijkt dat de artsen voor zeven soorten beroepskosten een forfaitair bedrag op basis van hun bruto-inkomen kunnen aangeven.

Sinds het aanslagjaar 1997 bedraagt dat forfait 2,5% van het bruto-inkomen met een minimumbedrag van 12 500 frank (of 309,87 euro) en een maximumbedrag van 45 000 frank (of 1 115,52 euro).

Vóór het aanslagjaar 1977 bedroegen het minimumen het maximumbedrag respectievelijk 10 000 frank (247,89 euro) en 36 000 frank (892,42 euro).

Bij mijn weten werd dat forfaitair bedrag sinds het aanslagjaar 1977 niet meer gewijzigd of geïndexeerd.

1. Overweegt u het percentage van 2,5% dat voor de berekening van de forfaitaire beroepskosten op het bruto-inkomen wordt toegepast, op te trekken?

2. Overweegt u de geldende minimum- en maximumbedragen op te trekken teneinde met de stijgende levensduurte rekening te houden?

3. Artikel 342, § 1, lid 4 bepaalt het volgende:

"De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisatie, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren."

Het administratief commentaar nrs. 342/56 tot 342/ 78 bevat bijkomende informatie betreffende die collectieve overeenkomsten. Nergens wordt echter expliciet gewag gemaakt van het voor de artsen toepasselijke forfait.

Overweegt u het administratief commentaar aan te vullen en er de berekening en de toepassingsmodaliteiten van de forfaitaire beroepskosten van de artsen in op te nemen?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 18.05.2005)

Er werd geen enkel collectief akkoord in de zin van artikel 342, § 1, 4e lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) afgesloten wat betreft de beroepskosten van geneesheren. Het in de vraag van het geachte lid vermelde "forfait" vormt slechts een aanwijzing voor de taxatieambtenaar. Het gaat hier om het taxeren op een redelijk bedrag zoals bedoeld in artikel 50, § 1, WIB 1992.

De belastingplichtige kan hiervan afwijken door zijn werkelijke beroepskosten post per post te bewijzen. Dit is het basisprincipe zoals gesteld in artikel 49, 1e lid, WIB 1992.

Overeenkomstig artikel 50, § 1, WIB 1992, kunnen de bedoelde kosten op een hoger bedrag gebracht worden indien de belastingplichtige de taxatieambtenaar de redelijke overtuiging kan bijbrengen van de echtheid ervan terwijl hij het bedrag niet kan verantwoorden met bewijsstukken of met andere bewijsmiddelen.

Het toekennen van een hoger "forfait" mag evenwel niet automatisch gebeuren maar dient integendeel voort te vloeien uit een onderzoek dat rekening houdt met de omstandigheden eigen aan het geval.