Parlementaire vraag nr. 1437 van mevrouw Pieters van 24.10.2006
VRAAG 06/1437
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 163, blz. 31816-31820
VZW - Fiscaal statuut
VRAAG
Door de belastingadministraties werd de jongste twee jaar de zogenaamde controleactie "oneigenlijke VZW's " ondernomen.
Ingevolge die opdracht hebben de taxatieambtenaren willens nillens heel wat kleine, grote en zeer grote VZW's aan de vennootschapsbelasting moeten onderwerpen. Met onder meer twee belangrijke arresten van het hof van beroep te Brussel van 21 juni 2006 werden dergelijke taxaties echter compleet vernietigd of ontheven? Tegen die inhoudrijke arresten van het hof van beroep werden geen voorzieningen in cassatie ingediend, waaruit blijkt dat de belastingadministraties hun ongelijk van die fiscale actie toch grotendeels moeten toegeven. Ter zake rijzen evenwel de volgende algemene praktische en juridische fiscale en parafiscale vragen in verband met alle onderzochte VZW's.
1.
a) Op welke wijze kunnen en zullen alle onterechte taxaties inzake vennootschapbelasting met bekwame spoed worden ontheven, zowel voor de gevallen waarbij een geldig bezwaarschrift werd ingediend als voor alle VZW's die geen, een laattijdig of een ongeldig bezwaarschrift hadden ingediend?
b) Kan met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur - waaronder het gelijkheidsbeginsel en het fair playbeginsel - voor die onterechte taxaties spontaan een ambtshalve ontheffing worden verleend wegens dubbele belasting (rechtspersonenbelasting en vennootschapsbelasting) en/of wegens materiële vergissingen, zo neen, om al welke gegronde redenen zal die fiscale onrechtvaardigheid en/of ongelijkheid niet snel worden opgeheven?
c) In welke mate en op welke vlotte wijze kunnen de VZW's eventueel vooralsnog aanspraak maken op een verrekening van de in de beschouwde boek- of aanslagjaren werkelijk ingehouden roerende voorheffing ?
2.
a) Welke onderrichtingen werden er uitgevaardigd aan het adres van de rekenplichtige ontvangers der belastingen met betrekking tot de al dan niet gerechtelijke invordering van dergelijke al dan niet willekeurige of nietige taxaties inzake vennootschapsbelasting ?
b) Wat is de algemene rol van de BTW- en belastingontvangers en van de gerechtsdeurwaarders ten aanzien van die VZW's en/of al hun organen of leden?
3. Wie is er in welke mate allemaal persoonlijk "aansprakelijk " en kan er in wettelijke rangorde achtereenvolgens in rechte hoofdelijk worden aangesproken voor de tijdige vereffening van alle openstaande schulden, met inbegrip van de belasting- en BTW-schulden en van de sociale schulden ingevolge tewerkstelling van personen:
a) de kleine, grote of zeer grote VZW zelf;
b) de stichters;
c) de voorzitter van de VZW;
d) de secretaris van de VZW;
e) alle leden van de raad van bestuur of bestuursleden; de werkende of actieve leden;
g) andere gewone toegetreden leden of medestichters;
h) de vereffenaars;
i) andere aangestelde personen die de VZW officieel of officieus kunnen of mogen vertegenwoordigen?
4. Tegenover wie kunnen er eventueel strafrechtelijke sancties worden uitgesproken wanneer sommige schulden, waaronder ook de fiscale en de sociale schulden wegens onvermogendheid en/of andere redenen niet (tijdig) kunnen worden betaald?
5. In welke mate kunnen de onderzoekende fiscale ambtenaren eventueel aansprakelijk worden gesteld voor alle onvoorzichtigheid of nalatig doorgevoerde belastingtaxaties en/of BTW-navorderingen?
6. Kunt u punt per punt uw huidige ziens- en handelwijze meedelen, zowel in het licht van de nieuwe VZW-wetgeving, de artikelen 10, tweede lid, eerste zinsdeel en 11 van de Grondwet, de bepalingen van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, het non-discriminatiebeginsel waarvan sprake in de internationale wetgeving, alle beginselen van behoorlijk bestuur als in het kader van de BTW-wetgeving, de belastingwetgeving en de RSZ-wetgeving.
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 17.04.2007)
1.
a) en b) Tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 21 juni 2006 werden geen voorzieningen bij het Hof van Cassatie ingediend om reden dat het hof van beroep op basis van de feitelijke gegevens heeft geoordeeld dat de activiteiten van de kwestieuze VZW's, die deel uitmaakten van een koepel-VZW, bestonden uit een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwbedrijvigheid betrekking had en juridisch gediskwalificeerd dienden te worden als verrichtingen van winstgevende aard ingevolge de bepaling van artikel 182, 3°, WIB 1992.
Wat betreft alle nog hangende administratieve of gerechtelijke geschillen van de VZW's die tot dezelfde koepel-VZW behoren als die welke wordt beoogd in de voormelde arresten, zal de administratie zich gedragen naar de rechtspraak van het hof van beroep te Brussel.
Het lijkt me onwaarschijnlijk dat de VZW's van dezelfde koepel die eventueel geen geldig bezwaarschrift zouden hebben ingediend bij de bevoegde directeur der belastingen zich in de voorwaarden zouden bevinden om toepassing te kunnen vragen van artikel 376, WIB 1992 (ambtshalve ontheffing).
Ten slotte wil ik er wat dit onderdeel van de vraag betreft aan herinneren dat overeenkomstig artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek de rechters in de zaken die aan hun oordeel zijn onderworpen, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.
Dat betekent dat de arresten van het Hof van beroep te Brussel van 21 juni 2006 geen algemene draagwijdte hebben ten aanzien van andere VZW's dan die welke partij waren in het geding.
Zoals hiervoor werd aangehaald, kunnen de ten name van de VZW gevestigde aanslagen in de vennootschapsbelasting slechts nietig worden verklaard dan door het indienen van een bezwaarschrift overeenkomstig de artikelen 366 tot 371, WIB 1992. Geen enkele regularisatie van ambtswege kan worden ingeroepen. Wat betreft het onderzoek van deze bezwaarschriften zullen de geschillenambtenaren de onderrichtingen van het arrest van het Hof van Cassatie van 29 april 2005 in aanmerking moeten nemen, waaruit onder andere blijkt dat wanneer wordt vastgesteld dat de voornaamste activiteit van een VZW bestaat uit handelsverrichtingen waaruit inkomsten worden behaald, niet zonder schending van het huidig artikel 182, WIB 1992 (artikel 94, derde lid, WIB) kan worden vastgesteld dat deze verrichtingen geen verrichtingen van winstgevende aard zijn en dat deze VZW niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting.
Wat betreft de verrekening van RV ten name van VZW's die aan de RPB zijn onderworpen kan ik meedelen dat deze VZW's inzonderheid belastbaar zijn op de inkomsten en de opbrengsten zoals bedoeld in artikel 221 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992). De belasting op deze inkomsten en opbrengsten is gelijk aan de onroerende en roerende voorheffing, zoals vermeld in artikel 225, eerste lid, WIB 1992. Deze voorheffingen zijn in principe een eindbelasting. Die inkomsten en opbrengsten worden bijgevolg geacht hun definitief belastingstelsel te hebben ondergaan.
Bovendien bepaalt artikel 293, WIB 1992 dat geen voorheffingen kunnen worden verrekend met de aanslagen die in de rechtspersonenbelasting worden gevestigd ingevolge artikel 225, tweede lid, WIB 1992. 2.
a) en b) Er zijn geen specifieke onderrichtingen uitgevaardigd naar de verschillende invorderingsdiensten met betrekking tot de al dan niet gerechtelijke invordering van de desbetreffende taxaties.
Zowel de BTW- als de belastingontvangers staan in voor de invordering van de sommen waarvan de inning hen is toevertrouwd, waarbij geen onderscheid mag en kan gemaakt worden naar de "aard" van belastingschuldige (VZW, natuurlijke persoon, rechtspersoon, ...). Geconfronteerd met een zekere, vaststaande en opeisbare schuld kunnen deze ambtenaren dan ook alle nodige maatregelen treffen met het oog op de invordering ervan, desnoods beperkt in geval van betwisting van de schuld. Niettegenstaande het eventuele betwiste karakter van de schuld kunnen deze ambtenaren, en wanneer zij dit nodig achten, bovendien steeds alle bewarende maatregelen treffen met het oog op de latere invordering.
3 en 4. Het antwoord op die vragen behoort tot de bevoegdheid van de minister van Justitie. (Vraag nr. 1127 van 24 oktober 2006,
Vragen en Antwoorden, Kamer, 2006-2007, nr. 147, blz. 28514.)
5. Wanneer een taxatieambtenaar de hem opgedragen taak vervult, handelt hij als orgaan van de Staat. Zo hij een fout zou begaan die schade toebrengt aan een derde, vereenzelvigt hij zich als het ware met de Staat, zodat de daden door hem gesteld, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, geacht worden te zijn uitgevoerd door de Staat zelf, die hiervoor rechtstreeks verantwoordelijk is op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
Overeenkomstig artikel 2 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, zijn bedoelde personeelsleden, wiens toestand statutair geregeld is, en die bij de uitoefening van hun dienst schade berokkenen aan derden, enkel persoonlijk aansprakelijk voor hun bedrog en hun zware fout. Voor lichte fout zijn zij enkel aansprakelijk als die bij hen eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
Bron: FisconetPlus
