Parlementaire vraag nr. 1228 van mevrouw Pieters van 19.04.2006

Parlementaire vraag nr. 1228 van mevrouw Pieters dd. 19.04.2006


Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 132, blz. 26117-26119

Doeloverschrijdende activiteiten van vennootschappen - Behandeling van kosten en opbrengsten - Boekhoudkundige voorschriften

VRAAG

Bij sommige fiscale ambtenaren is het een nieuwe tendens geworden om bij alle vennootschappen die niet in de immobiliënsector werkzaam zijn de aanwervingen van onroerende en/of roerende goederen als doeloverschrijdende activiteiten te gaan bestempelen en om onder meer op grond van de beschikkingen van de artikelen 49; 52, 6e; 53, 1e; 53, 9e; 61, 1e lid; 183, 185 en 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 alle kosten, lasten, afschrijvingen en betaalde interesten als verworpen uitgaven en/of als belastbare voordelen van alle aard aan te merken. De opbrengsten worden evenwel onverminderd belast. Vele fiscale auteurs zijn echter van mening dat deze discriminerende handelwijze geen steun vindt in de beschikkingen van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en niet strookt met het realiteitsbeginsel. Wat niet verboden is, is immers toegelaten. Uit fiscaal- en vennootschapsrechtelijk oogpunt is blijkbaar nergens uitdrukkelijk voorgeschreven dat de uitoefening van bepaalde winstgevende activiteiten van vennootschappen - al dan niet van vrije beroepen en/ of al dan niet werkzaam in de immobiliën- en/of financiële sector - rechtstreeks of onrechtstreeks in de oprichtingsakte moet worden opgenomen. Ter zake rijzen hieromtrent de volgende algemene pertinente vragen.

1. Werden ter zake recentelijk specifieke administratieve circulaires of instructies uitgevaardigd ten behoeve van de belastingambtenaren ?

2. Om al welke redenen worden sommige sectoren, inzonderheid de vrije beroepen die in vennootschapsvorm uitbaten, veel strenger aangepakt ?

3.

a) Worden deontologische voorschriften geacht deel uit te maken van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het BTW-wetboek en van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen ?

b) Zo ja, op welke rechtmatige wijze is dit te verantwoorden ?

4. Op al welke gegronde redenen wordt thans plots een totaal andere zienswijze gehanteerd, daar waar in het verleden zowel alle kosten en lasten als alle winsten van door vennootschappen ontplooide beroepsactiviteiten steeds uit fiscaal oogpunt werden aanvaard ?

5.

a) Is artikel 53, eerste lid WIB 1992 van toepassing inzake vennootschappen ?

b) Zo ja, om welke gegronde redenen ?

6. Op welke wijze en onder welke specifieke rekeningen moet een vennootschap alle kosten en alle opbrengsten van zogezegd «doeloverschrijdende » activiteiten in haar boekhouding verwerken ?

7. Welke administratieve en/of andere sancties kunnen er desnoods worden opgelegd wanneer een vennootschap activiteiten ontplooit die niet in haar statuten of in haar handelsregister staan ?

8. Kunt u uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van de bepalingen van de gecoördineerde Grondwet, het nieuwe Wetboek van vennootschappen, het Wetboek van Koophandel, het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het BTW-wetboek, de wet op de Kruispuntbank en de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als van de wet op de Jaarrekeningen van ondernemingen, de uitvoeringsbesluiten en de adviezen van de Commissie voor boekhoudkundige normen?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 16.08.2006)

Vooreerst wens ik het geachte lid erop te wijzen dat de vraag te weten of bepaalde uitgaven van een binnenlandse vennootschap op fiscaal vlak als beroepskosten zijn aan te merken in de vennootschapsbelasting en/of bepaalde verrichtingen aanleiding geven tot het belasten van een voordeel van alle aard, een vraag is die in eerste instantie door de bevoegde taxatie-ambtenaar geval per geval moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke en juridische omstandigheden. Ter zake werden dan ook geen specifieke richtlijnen verstrekt.

Voor het overige veroorloof ik mij het geachte lid te verwijzen naar het antwoord dat ik heb verstrekt op haar parlementaire vraag nr. 158 van 24 november 2003 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 115, blz. 22177 en volgende).