Parlementaire vraag nr. 140 van de heer Dirk Van der Maelen van 07.03.2013
Parlementaire vraag nr. 140 van de heer Dirk Van der Maelen dd. 07.03.2013
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/130 dd. 04.10.2013, blz. 498
Inkomstenbelastingen. - Bijzondere aanslagen op meerwinsten.
VRAAG
Luidens de bepalingen van artikel 219, eerste lid WIB 1992 hebben de belastingadministraties de wettelijke mogelijkheid om meerwinsten, die het vermogen van de vennootschap hebben verlaten, in de belastbare grondslag op te nemen en aan de bijzondere aanslag in de vennootschapsbelasting en aan de crisisbelasting te onderwerpen. In de berichten van wijziging van aangifte of in de kennisgevingen van aanslag van ambtswege wordt op die vastgestelde meerwinsten nog een belastingverhoging voorgesteld in de zin van artikel 226, C, KB/WIB92. Die administratieve sanctie heeft ingevolge de toepassing van artikel 444, derde lid WIB92 evenwel veelal geen financiële uitwerking. Ter zake rijzen de volgende algemene praktische vragen.
1. Onder welke huidige administratieve voorwaarden mag, al dan niet in fase van bezwaarschrift, het bedrag aan niet geboekte winsten (btw-inclusief), eventueel als een "reservebestanddeel" worden belast met de oplegging van een belastingverhoging die wel effectief een financieel effect voor de Schatkist sorteert ?
2. Mag of moet er in beginsel een belastingverhoging worden opgelegd in de zin van artikel 444, eerste lid WIB92 en artikel 226, C, KB/WIB92, met de beperkingen van artikel 444, derde lid WIB92 ?
3. Moet bij het vestigen van de bijzondere aanslagen zowel het "nul-bedrag" als het principieel opgelegd percentage van de belastingverhoging (50% of meer) telkens in de aanslagbiljetten en in de berekeningsnota's worden opgenomen ?
4. Vanaf welke datum beginnen ingeval van vestiging van bijzondere aanslagen de nalatigheidsinteresten te lopen wanneer er "principieel" een belastingverhoging van 50% of meer werd opgelegd in de zin van artikel 226, C, KB/WIB92 en wanneer zowel het percentage als het "nul-bedrag" in de aanslagbiljetten werd vermeld ?
5. Kunt u punt per punt uw algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de bepalingen van de artikelen 219, eerste en derde lid; 340, 414 en 444, eerste en derde lid WIB92 en de desbetreffende reglementaire uitvoeringsbepalingen?
ANTWOORD (van de heer Geens, Minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken)
Voor verdoken meerwinsten zal worden toegestaan dat de afzonderlijke aanslag niet moet worden toegepast in het geval dat deze meerwinsten in het vermogen van de vennootschap worden terug opgenomen door een aanpassing van de jaarrekening voor het boekjaar tijdens hetwelk ze door de vennootschap werden verwezenlijkt, indien het boekhoudrecht dit toelaat. Deze aanpassing moet, voor de inkomsten van het betrokken boekjaar, uiteraard plaatsvinden binnen de wettelijke fiscale termijnen. Bij toepassing van artikel 444, WIB92, worden bij niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen vermeerderd met een belastingverhoging. Het totaal van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen en de belastingverhogingen mag echter niet hoger zijn dan het bedrag van de niet aangegeven inkomsten. De vermeldingen die het aanslagbiljet moet bevatten worden door geen enkele wettekst gepreciseerd. Het volstaat dat het op ondubbelzinnige wijze de belastingplichtige inlicht over de gevestigde belasting. Als dusdanig heeft het aanslagbiljet een informatief karakter. In die zin wordt het bedrag van de belastingverhoging vermeld op het aanslagbiljet. Artikel 415, WIB92 bepaalt dat in afwijking van artikel 414 nalatigheidsinterest verschuldigd is vanaf 1 juli van het tweede jaar van het aanslagjaar op alle sommen, andere dan de onroerende, roerende en bedrijfsvoorheffingen opgenomen in kohieren die uitvoerbaar werden na 30 juni van hetzelfde jaar, behalve wanneer het onder andere gaat om aanslagen zonder belastingverhoging of met een belastingverhoging waarvan het toe te passen percentage overeenkomstig de in uitvoering van artikel 444, eerste lid, WIB92, vastgestelde schaal, minder dan vijftig bedraagt. Dit betekent dat opdat nalatigheidsinteresten vanaf de voormelde datum verschuldigd zijn, het toe te passen percentage van de belastingverhoging minstens 50 % moet bedragen, en dit ongeacht of de belastingverhoging al dan niet aanleiding geeft tot een effectief aangerekende verhoging. Ik verwijs het geachte lid hierbij naar mijn antwoord op de mondelinge vraag nr. 12678 van mevrouw Gwendolyn Rutten in de commissie Financiën, alsook naar de verschillende circulaires en in het bijzonder naar de recente circulaire van 22 juli 2013 met referentie Ci.RH.421/628.803.
