Parlementaire vraag nr. 1453 van de heer Koenraad Degroote van 02.02.2017
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/137 d.d. 28.11.2017, blz. 289
Strijd tegen domiciliefraude - Eigendommen in het buitenland
VRAAG (van de heer Degroote)
De strijd tegen domiciliefraude is één van de actiepunten van de federale regering. Een gekend groot probleem ligt bij de omslachtige manier van controlevoering op eigendommen. Er zijn al heel wat stappen ondernomen door zowel de federale als de Vlaamse regering om de controle op binnenlandse eigendommen door sociale huisvestingsmaatschappijen te laten simplificeren. Zo denken wij aan de staatssecretaris voor Bestrijding van Sociale Fraude, die werk zal maken van een duidelijke wettelijke basis voor alle datamatching en datamining in de sociale zekerheid. Zo kan het vaststellen van domiciliefraude door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) of een sociale huisvestingsmaatschappij beter met elkaar gedeeld worden. Een ander voorbeeld zijn de inspanningen van Vlaams minister Homans die ervoor hebben gezorgd dat huisvestigingsmaatschappijen de eigendomsgegevens nu ook rechtstreeks via CADNET doorkrijgen, het elektronisch netwerk van het kadaster. Die database van Financiën bevat de namen van alle eigenaars van panden en gronden in ons land. Door die automatische informatieverstrekking moeten de huisvestingsmaatschappijen niet meer alles zelf op papier opvragen aan de kandidaat-huurder en aan de ambtenaren van de FOD Financiën. De maatregelen die worden genomen zijn enkel bruikbaar voor binnenlandse eigendommen. Bij het controleren van buitenlandse eigendommen komen er extra moeilijkheden. Dit komt omdat in bepaalde landen zoals Marokko en Turkije, geen kadasters beschikbaar zijn. De controlemogelijkheid bij bezit van een woning in het buitenland vandaag is nagenoeg onbestaande. In juni 2009 gaf de Koning Boudewijnstichting de studie "Belgische Marokkanen - Een dubbele identiteit in ontwikkeling" uit. Het betrof een vertaalde studie die uitgevoerd werd door onderzoekers van de universiteit van Rabat (Marokko) op vraag van de Koning Boudewijnstichting. In die studie staat letterlijk te lezen: "(...) moeten we er op wijzen dat 60,6 % van de mensen van Marokkaanse herkomst die in België wonen, eigenaar is van een onroerend goed in hun land van herkomst. Zij verklaarden een huis (51 %) een stuk grond (19 %) of een residentie (2,8 %) in eigendom te hebben". En verder ook: "We willen er ook op wijzen dat 66 % van de personen die een onroerend goed bezitten in Marokko, huurder zijn in België". Heel wat sociale huisvestingsmaatschappijen vernemen dikwijls uit informele bronnen dat allochtone sociale huurders toch over een eigendom zouden beschikken in hun thuisland. Toch hebben die sociale huisvestingsmaatschappij geen realistische mogelijkheden om dat te controleren. De FOD Financiën wordt in kennis gesteld van buitenlands onroerend bezit via het uitwisselingsplatform STIRINT. Het gaat hier echter enkel om gegevensuitwisseling met de lidstaten van de Europese Unie in toepassing van artikel 8 van de Europese richtlijn 2011/16/EU van 15 februari 2011. Bovendien gaat het om een administratieve samenwerking op het gebied van belastingen die dus enkel in het kader van de fiscaliteit en niet met betrekking tot sociale huur kan gebruikt worden.
1. Welke verdere stappen onderneemt de FOD Financiën om sociale huisvestigingsmaatschappijen de mogelijkheid te geven om kandidaat-huurders te controleren op buitenlandse eigendommen, zoals in Marokko?
2. Zijn er overeenkomsten in de maak met Marokko om sociale fraude in de toekomst beter te kunnen bestrijden?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. Van belang is allereerst dat de Belgische fiscus enkel om inlichtingen kan verzoeken met het oog op een fiscale finaliteit. Met betrekking tot in het buitenland gelegen onroerende goederen is dat het geval, aangezien inwoners van België het inkomen met betrekking tot dergelijke goederen moeten opnemen in de aangifte personenbelasting (artikel 155 WIB 92). Een vraag aan een partnerland inzake het bezit van in dat land gelegen onroerend goed is bijgevolg dienstig om de naleving van deze aangifte te verifiëren. Een tweede belangrijke beperking is dat de ontvangen inlichtingen alleen ter kennis mogen gesteld worden van de personen of autoriteiten die betrokken zijn bij de vestiging of de invordering van de belastingen waarop het artikel in verband de uitwisseling van inlichtingen van toepassing is. In principe mogen de in het kader van de verdragen ontvangen inlichtingen van derde landen niet meegedeeld worden aan de sociale huisvestingsmaatschappijen. Om deze beperking te kunnen opheffen werd in het Belgisch Standaardmodel van 2010 daarom artikel 25, paragraaf herschreven. De nieuwe bepaling stipuleert dat indien de wetgeving van beide partnerstaten dit toelaat, de uitgewisselde gegevens ook voor andere doeleinden gebruikt mogen worden mits de partnerstaat die de inlichtingen verstrekt daarvoor expliciet toelating verleent. België begint met dit principe aan nieuwe onderhandelingen en deze bepaling wordt in toekomstige belastingverdragen verwerkt, althans indien het partnerland hiermee akkoord gaat.
2. In het dubbelbelastingverdrag met Marokko, dat dateert van het jaar 2006, zit de mogelijkheid dat de uitgewisselde gegevens ook voor andere dan fiscale doeleinden gebruikt mogen worden, nog niet verwerkt. Mijn administratie zal daarom aan Marokko een protocol tot wijziging van het verdrag voorstellen waarin de bepaling inzake uitwisseling van inlichtingen wordt vervangen door de tekst die voorkomt in artikel 25 van het Belgische standaard modelverdrag.
