Parlementaire vraag nr. 294 van de heer Steven Matheï van 31.03.2020
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/017, d.d. 04.05.2020, blz. 126
Aftrekbaarheid van buitenlandse verliezen
VRAAG
Op 1 januari 2020 trad de laatste fase van de hervorming van de vennootschapsbelasting in werking. Deze omvat onder meer een ingrijpende wijziging van de regelgeving inzake de aftrekbaarheid van buitenlandse verliezen. Deze worden voortaan onmogelijk behalve dan voor de definitieve buitenlandse verliezen.
Voor buitenlandse verliezen die onder de nieuwe regeling vallen (vanaf 1 januari 2020 dus), is daarbij het stelsel van aftrek en recapture door een stelsel van niet-aftrekbaarheid, behalve dan voor bepaalde definitieve verliezen. Voor buitenlandse verliezen onder het oude regime is het behoud van een recapture-bepaling evenwel relevant.
De wetgever heeft nu de oude recapture-bepaling (oud artikel 206, §1, lid 2, tweede zin WIB 92) geschrapt en vervangen door een nieuwe (artikel 185, §3, lid 3 WIB 92). Deze bepaling wordt in de praktijk echter als bijzonder verwarrend beschouwd.
Er wordt immers vooreerst gesproken van "vorige beroepsverliezen" van een buitenlandse inrichting, wat volgens de praktijk lijkt te impliceren dat het om de verliezen gaat die nog niet effectief zijn aangewend. Daarentegen moeten deze verliezen reeds "in mindering zijn gebracht op haar Belgische winst", wat een effectieve aanwending lijkt te impliceren. Dit lijkt zonder meer tegenstrijdig.
Bovendien vindt men de werking van het recapture mechanisme onduidelijk. Zodra niet kan worden aangetoond dat de buitenlandse inrichting de vorige verliezen niet heeft gebruikt, vindt een recapture plaats die fiscaaltechnisch wordt verwezenlijkt door de gebruikte verliezen af te trekken van de bij DBV vrijgestelde winst of van de winst waarvan de belasting wordt verminderd.
In het eerste geval gebeurt de recapture door een aftrek van deze verliezen van de bij DBV vrijgestelde winst. Dit leidt niet tot belastbaarheid aangezien er geen additionele belastbare basis ontstaat, waardoor de dubbele verliesaftrek dus blijft bestaan. Dit zou volgens de praktijk te begrijpen zijn, indien de recapture betrekking heeft op "vorige verliezen" die nog niet effectief zijn aangewend. In de huidige stand van de wetgeving is ze volgens de praktijk een maat voor niets indien deze leidt tot niet-belastbaarheid van verliezen die reeds effectief "in mindering [werden] gebracht" van de Belgische winst. In dat geval zou de dubbele aftrek dus behouden blijven.
In het tweede geval gebeurt de recapture fiscaaltechnisch door een aftrek van de winst waarvan de belasting wordt verminderd. Deze winst is terug te vinden in twee categorieën in de aangifte, namelijk "niet bij verdrag vrijgestelde winst" en "bij verdrag vrijgestelde winst". Indien de recapture wordt verwezenlijkt op de eerste categorie, dan resulteert dit in een lagere belastbaarheid aangezien de winst wordt verminderd die in België zou worden belast. Dit kan denk ik niet de bedoeling zijn.
In ieder geval geeft de memorie geen verdere aanwijzingen. Volgens de letter van de wet zouden volgens de praktijk enkel de overgedragen verliezen worden geviseerd en zou er geen corresponderende verhoging van het Belgisch belastbaar resultaat plaatsvinden. Dit betekent dan wel dat een recapture van gedeeltelijk vrijgesteld inkomen leidt tot een lagere belastbaarheid, wat uiteraard niet de bedoeling kan zijn.
Bent u op de hoogte van deze problematiek? Zo ja, bent u van oordeel dat dit dan uitgeklaard kan worden via circulaire of zal er volgens u wetgevend ingegrepen moeten worden?
ANTWOORD
Ik ben op de hoogte van die problematiek. Een wetgevend initiatief is noodzakelijk en ik zal de bevoegde dienst van mijn administratie vragen om de wettelijke aanpassingen ter zake voor te bereiden.
