Parlementaire vraag nr. 1191 van de heer de Clippele van 26.08.1994
VRAAG 94/1191
Vraag nr. 1191 van de heer de Clippele dd. 26.08.1994
Bull. nr. 746, pag. 606
Beroepsverliezen - Forfait
Artikel 23, § 2, 1°, WIB 92 bepaalt dat de netto beroepsinkomsten gelijk zijn aan de bruto inkomsten verminderd met de beroepskosten.
Op het stuk van de bruto of semi-bruto inkomsten :
Naar verluidt weigeren bepaalde belastingambtenaren die aftrek en/of overdracht systematisch op basis van de Com.IB 342/33, 2e lid, WIB 92, ongeacht de coherentie van de in het 4e lid van deze vraag bedoelde berekeningen.
De KMO's waarvoor die forfaits werden ingesteld, worden op die manier fiscaal gestraft.
Is dat zo ?
ANTWOORD
Ik bevestig het geacht lid dat de werkelijkheid en het bedrag van een tijdens het belastbare tijdperk uit hoofde van een beroepswerkzaamheid geleden beroepsverlies niet kan worden bewezen aan de hand van forfaitaire grondslagen van aanslag (nr. 342/33, 2e lid, van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).
Inderdaad, ingevolge artikel 49 van voormeld Wetboek moeten dergelijke verliezen worden verantwoord overeenkomstig de in dat artikel bepaalde wijze, uitgaande van reële en niet van forfaitair vastgestelde inkomsten. De belastingplichtige kan niet tegelijkertijd zijn beroep doen, enerzijds, wat betreft zijn beroepsresultaat op een stelsel dat het gebrek aan bewijskrachtige gegevens veronderstelt en anderzijds, wat betreft zijn kosten en het daaruit voortvloeiende beroepsverlies, op een stelsel dat het leveren van bewijs vereist (Cassatie, 4 november 1983, CL, Bulletin der belastingen, nr. 638, blz. 630 - nr. 43/38, 2e lid, van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen, evenals Cassatie, 7 april 1994, inzake Wery).
Vraag nr. 1191 van de heer de Clippele dd. 26.08.1994
Bull. nr. 746, pag. 606
Beroepsverliezen - Forfait
Artikel 23, § 2, 1°, WIB 92 bepaalt dat de netto beroepsinkomsten gelijk zijn aan de bruto inkomsten verminderd met de beroepskosten.
Op het stuk van de bruto of semi-bruto inkomsten :
- biedt artikel 342, § 1, 2e lid, WIB 92 de mogelijkheid die inkomsten te bepalen aan de hand van forfaitaire grondslagen van aanslag. Die grondslagen worden door uw administratie in overleg met de beroepsgroeperingen vastgelegd, zodat de coherentie ervan is gewaarborgd;
- de Com.IB 342/34 WIB 92, die in de meeste teksten over forfaitaire belastingen voorkomt, bepaalt de gevallen waarin de belastingambtenaar kan weigeren het forfait toe te passen.
- bepaalt artikel 342, § 1, 4e lid, WIB 92 dat sommige beroepskosten forfaitair kunnen worden vastgesteld;
- bepaalt artikel 49 WIB 92 dat de beroepskosten moeten worden verantwoord door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
- haar bruto of semi-bruto resultaat bepaalt op grond van forfaitaire grondslagen van aanslag die door de belastingambtenaar worden aanvaard conform het 2e lid van deze vraag;
- haar beroepskosten bepaalt conform het 3e lid van deze vraag, past de belastingplichtige de wet toe.
Naar verluidt weigeren bepaalde belastingambtenaren die aftrek en/of overdracht systematisch op basis van de Com.IB 342/33, 2e lid, WIB 92, ongeacht de coherentie van de in het 4e lid van deze vraag bedoelde berekeningen.
De KMO's waarvoor die forfaits werden ingesteld, worden op die manier fiscaal gestraft.
Is dat zo ?
ANTWOORD
Ik bevestig het geacht lid dat de werkelijkheid en het bedrag van een tijdens het belastbare tijdperk uit hoofde van een beroepswerkzaamheid geleden beroepsverlies niet kan worden bewezen aan de hand van forfaitaire grondslagen van aanslag (nr. 342/33, 2e lid, van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).
Inderdaad, ingevolge artikel 49 van voormeld Wetboek moeten dergelijke verliezen worden verantwoord overeenkomstig de in dat artikel bepaalde wijze, uitgaande van reële en niet van forfaitair vastgestelde inkomsten. De belastingplichtige kan niet tegelijkertijd zijn beroep doen, enerzijds, wat betreft zijn beroepsresultaat op een stelsel dat het gebrek aan bewijskrachtige gegevens veronderstelt en anderzijds, wat betreft zijn kosten en het daaruit voortvloeiende beroepsverlies, op een stelsel dat het leveren van bewijs vereist (Cassatie, 4 november 1983, CL, Bulletin der belastingen, nr. 638, blz. 630 - nr. 43/38, 2e lid, van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen, evenals Cassatie, 7 april 1994, inzake Wery).
Bron: FisconetPlus
