Parlementaire vraag nr. 2541 van mevrouw Griet Smaers van 14.02.2019

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2018-2019, QRVA 54/183, d.d. 21.03.2019, blz. 152

Het concept maatschappelijk kapitaal

VRAAG

Door het nieuwe vennootschapsrecht blijft het maatschappelijk kapitaal-concept enkel behouden voor de nv. Dat betekent dat de bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers - de eigenlijke achterliggende reden voor het voorzien van een minimum startkapitaal - voor de andere vennootschapsvormen wordt gewaarborgd door de vereiste dat de vennootschap bij oprichting over een toereikend eigen vermogen (aanvangsvermogen) zal moeten beschikken.

De fiscale regels verduidelijken nu dat bij de oprichting van de vennootschap dat aanvangsvermogen samengesteld wordt uit de inbrengen in geld of in natura, die de oprichters hebben volstort tegen uitgifte van aandelen, alsmede de achtergestelde middelen (leningen) die zij eventueel ter beschikking hebben gesteld. Tijdens het leven van de vennootschap worden de reserves en overgedragen winsten aan het eigen vermogen toegevoegd. Uitkeringen aan aandeelhouders zullen dan enkel mogelijk zijn als de vennootschap aan een netto-actief test en een liquiditeitstest voldoet.

De eis dat vennootschappen, die niet over een kapitaal beschikken, een eigen vermogen oftewel aanvangsvermogen moeten hebben, leidt wel tot een eigenaardigheid in de praktijk. Het is immers zo dat dit aanvangsvermogen wordt samengesteld uit de inbrengen in geld of in natura en tijdens het leven van de vennootschap worden aangevuld met de reserves en de overgedragen winsten.

Inbrengen van nijverheid worden hierbij uitdrukkelijk uitgesloten, terwijl dit in het nieuwe wetboek van vennootschappen (WVV) wel wordt toegelaten bij de bv en de cv. Daar wordt echter wel bepaald dat een inbreng in nijverheid wordt bekeken als een inbreng in natura, maar de vraag is hoe hier op fiscale wijze mee moet worden omgegaan.

De uitsluiting van de inbreng van nijverheid wil namelijk vermijden dat overwaarderingen en misbruik ingang zouden vinden. Echter, in sommige gevallen is een inbreng van nijverheid juist de meest gangbare manier van werken. Een uitstekend voorbeeld daarvan is de landbouwvennootschap thans landbouwonderneming. Die moet nu door het nieuwe WVV ofwel kiezen voor een vennootschapsvorm onder vof of comm.v, ofwel onder een vennootschapsvorm onder bv of cv, maar volgens de regels van het nieuwe WVV kunnen zij weldegelijk een inbreng van nijverheid verrichten. Dat was immers ook de gangbare praktijk onder het oude stelsel.

1. a) Kan u verduidelijken wat nu de consequenties zullen zijn voor een door de Koning erkende landbouwonderneming wanneer deze inbrengen in nijverheid verricht?

b) Hoe moet dit fiscaal dan worden gekwalificeerd?

2. Zal er volgens u dan uitgegaan worden van een inbreng in natura of wordt er dan geheel abstractie gemaakt van het feit dat er überhaupt een inbreng is gebeurd?

3. Veroorzaakt dit volgens u geen spanningsveld met de regels van het nieuwe WVV, waarbij dus een landbouwonderneming als dusdanig kan worden erkend en dan een inbreng in nijverheid kan verrichten, terwijl zo'n inbreng in zijn geheel fiscaal wordt uitgesloten?

ANTWOORD

Uw vraag heeft betrekking op de inbrengen van nijverheid door een erkende landbouwvennootschap die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting.

De fiscale behandeling van dergelijke inbrengen is met name afhankelijk van de door de betrokken vennootschap in dit verband verrichte boekingen.

De inbrengen van nijverheid zijn in ieder geval uitdrukkelijk uitgesloten van de begrippen "kapitaal" en "gestort kapitaal" zoals respectievelijk bedoeld in de artikelen 2, §1, 6° en 184 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.