Parlementaire vraag nr. 20974 van de heer Luk Van Biesen van 08.01.2014
Mondelinge parlementaire vraag nr. 20974 van de heer Luk Van Biesen dd. 08.01.2014
Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën, 2013-2014, CRIV 53 COM 888 dd. 08.01.2014, blz. 15
Interne vereffening
VRAAG (van de heer Van Biesen)
Mijnheer de minister, de programmawet van 28 juni 2013 voert naast de interne vereffening een nieuwe VVPR-regeling in voor aandelen. Met betrekking tot beide nieuwe gunstregimes is bepaald dat een latere kapitaalvermindering prioritair moet worden aangerekend op het in het kader van dat gunstregime gevormde kapitaal. In de praktijk is het mogelijk dat een vennootschap gebruikmaakt van beide gunstregimes. Zo kan een vennootschap met een kapitaal van 20 000 euro in augustus 2013 een kapitaalverhoging van 80 000 euro doorvoeren in het kader van de nieuwe VVPR-regeling en in oktober 2013 een kapitaalverhoging van 100 000 euro doorvoeren in het kader van een interne vereffening. Mijnheer de minister, wanneer een vennootschap in 2018 een kapitaalvermindering doorvoert, op welk kapitaal moet die kapitaalvermindering worden aangerekend ? Dat is van belang voor de vaststelling van het gedeelte van de dividenden dat na die kapitaalvermindering onderworpen kan worden aan het VVPR-tarief van 15 %.
ANTWOORD (van de minister van Financiën)
Mijnheer Van Biesen, een vennootschap kan haar kapitaal verhogen door onder bepaalde voorwaarden belaste reserves op te nemen in het kapitaal in het kader van de overgangsregeling van artikel 537. Zij kan haar kapitaal ook verhogen door de inbreng van nieuw geld in het kader van de regeling van artikel 269, § 2, dat recht geeft op de verlaagde voorheffing tegen 15 %. In het kader van die laatste regeling mogen de kapitaalinbrengen niet voortkomen uit de verdeling van belaste reserves die overeenkomstig artikel 537 onderworpen zijn aan de verlaagde roerende voorheffing van 10 %. Het type kapitaal zoals bedoeld in beide bepalingen is dus fundamenteel verschillend. In beide regelingen geldt dat een latere kapitaalvermindering bij voorrang moet worden aangerekend op het in het kader van de betreffende regeling ingebrachte kapitaal. Als een vennootschap de beide regelingen heeft toegepast, staat het haar op fiscaal gebied vrij, bij gebrek aan wettelijk voorschrift ter zake, aan te duiden op welk kapitaal zij de kapitaalvermindering aanrekent, hetzij op het kapitaal ingebracht in het kader van artikel 537, hetzij op het kapitaal ingebracht in het kader van artikel 269, § 2.
CONCLUSIE (van de heer Van Biesen)
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw heel duidelijk antwoord.
