Parlementaire vraag nr. 496 van mevrouw Pieters van 05.10.2004
VRAAG 04/496
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 120, blz. 23274-23276
Beslissing over een bezwaarschrift - Onderzoeksdaden - Onafhankelijkheid en onpartijdigheid
VRAAG
Uit respect voor het principe van objectiviteit dat van toepassing is op alle belastingambtenaren, kan de gewestelijk directeur van een controlecentrum die persoonlijk aan een belastingcontrole heeft deelgenomen en/of er in fase van blijvend niet-akkoord mondeling of schriftelijk bij geadviseerd heeft, in beginsel niet meer beslissen over een administratief beroep (zie eveneens de circulaire van 18 september 2000 gepubliceerd in het
Bulletin der belastingen, nr. 807, blz. 1816).
Daarnaast beschikt - volgens het huidig artikel 374, eerste lid WIB 1992 - om de behandeling van een bezwaarschrift te verzekeren een «ambtenaar van de administratie der directe belastingen» met een hogere graad dan die van «controleur» over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie zijn verleend bij de artikelen 315 tot 319, 322 tot 330, 333 tot 336, 339 tot 343 en 346 WIB 1992.
Artikel 374, eerste lid WIB 1992 sluit in de huidige stand van zaken met andere woorden in zich dat het onderzoek van een bezwaarschrift inzake inkomstenbelastingen uit zuiver juridisch oogpunt allicht uitsluitend nog mag worden toevertrouwd aan een ambtenaar met ten minste de graad van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd (niveau 1).
Een onderzoekende «inspecteur» of geschillenambtenaar die een advies heeft uitgebracht, rekening houdende met de richtlijnen van de hiërarchische overheid, kan bij de uiteindelijke beoordeling van een belastinggeschil dus niet meer worden aanzien als onafhankelijk en onpartijdig (zie ook het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 februari 2001 - F.J.F., 2001/141 alsmede het nr. 374/2 van het administratief commentaar).
Terzake rijzen thans dan ook de volgende algemene praktische vragen.
1.
a) Door welke neutrale ambtenaar van een controlecentrum die niet aan de vestiging van de betwiste aanslagen rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, moet of mag uit wettelijk en/of juridisch oogpunt in een dergelijk geval de beslissing over die bezwaarschriften uiteindelijk worden genomen ?
b) Welke verantwoordelijke aanslagambtenaar moet in zo'n geval bij een geding de zaak voor de rechtbank van eerste aanleg mondeling bepleiten ?
2. Om welke redenen werden de benamingen «administratie van de directe belastingen» en «controleur» nog steeds niet aangepast aan de nu bestaande organisatie en hiërarchische structuur van de administratie van Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit ?
3.
a) Mag door een onderzoekende geschillenambtenaar een bericht van wijziging worden verzonden (
cf. artikel 346 WIB 1992 geciteerd in artikel 374, eerste lid, WIB 1992) ?
b) Hoe moet artikel 346 WIB 1992 in deze context precies worden uitgelegd ?
4.
a) Om al welke «wettige» redenen wordt het daadwerkelijk administratief onderzoek van de bezwaarschriften, met inbegrip van de hoorzittingen, in vele gevallen uitsluitend opgedragen aan een ambtenaar bekleed met een graad lager dan eerstaanwezend inspecteur ?
b) Is dit uit puur wettelijk oogpunt gezien wel degelijk een rechtsgeldige administratieve handeling ?
5.
a) Om al welke gegronde redenen werden de al dan niet leidinggevende geschillenambtenaren, ongeacht hun niveau, rang of graad in de Vlaamse controlecentra voortaan volledig of grotendeels ingeschakeld in de eigenlijke taxatiewerkzaamheden of betrokken bij het grondig gezamenlijk onderzoek van de aangiften in de aangiften in de personenbelasting en in de vennootschapsbelasting ?
b) Is zulks niet in strijd met voormeld rechtsbeginsel van onpartijdigheid en kunnen die door hen doorgevoerde individuele en polyvalente onderzoekingen en taxaties daardoor niet veeleer «nietig» worden verklaard ?
c) Gaat hun wettelijk ingestelde «filterrol» en adviserende, ondersteunende en bijstandverlenende opdracht in een controlecentrum hierdoor niet integraal verloren ?
d) Welke ambtenaar zal de bezwaarschriften van de door hen ingestelde onderzoekingen en gevestigde aanslagen dan wel op een objectieve wijze onderzoeken ?
6. Kan u, punt per punt, zowel uw wettelijke zienswijze meedelen in het licht van de bepalingen van artikel 374, eerste lid WIB 1992 en van het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en van onpartijdigheid alsmede een passende sensibilisatie van alle belastingambtenaren en hun managers ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 04.05.2006)
Vooreerst wil ik er op wijzen dat artikel 374, 1
e lid, WIB 1992 geen beletsel vormt om een ambtenaar met een lagere graag dan die van eerstaanwezend inspecteur een bezwaarschrift te laten behandelen. Het volstaat dat de ambtenaar van een lagere graad dan die welke beoogd wordt in artikel 374, 1
e lid, WIB 1992 het onderzoek van het bezwaarschrift in opdracht van die ambtenaar doet.
Daarenboven wil ik er nogmaals aan herinneren dat wanneer de directeur der belastingen over een bezwaarschrift een beslissing neemt, hij handelt als administratieve overheid. Derhalve beslist de directeur der belastingen over een bezwaarschrift niet als een onafhankelijk rechter en moet het beginsel van de onpartijdigheid waarvan hij blijk moet geven beoordeeld worden binnen het kader van de uitoefening van zijn ambtelijke bevoegdheid. De ambtelijke onpartijdigheid moet er enkel toe leiden dat de fiscale wet door de administratie op alle belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden op dezelfde wijze wordt toegepast.
Aangezien de vragen van het geachte lid voortvloeien uit een verkeerde premisse beschouw ik het formuleren van verdere antwoorden op haar vragen als niet ter zake.
Bron: FisconetPlus
