Parlementaire vraag nr. 108 van de heer Roel Deseyn van 09.01.2015
Parlementaire vraag nr. 108 van de heer Roel Deseyn dd. 09.01.2015
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2015-2016, QRVA 54/83 dd. 25.07.2016, blz. 187
De roerende voorheffing voor gemeenten
VRAAG (van de heer Deseyn)
Sinds 2011 worden inkomsten uit standgelden, kermissen, verhuur van boeken, en dergelijke door de fiscale administratie beschouwd als roerende inkomsten. Ook het verlenen van concessies wordt door de fiscus als een roerend inkomen beschouwd. Omdat de steden en gemeenten onder de rechtspersonenbelasting vallen, werden deze inkomsten (al dan niet na aftrek van werkelijke of forfaitaire kosten) onderworpen aan de roerende voorheffing. Recentelijk heeft de stad Turnhout gelijk gekregen in een dispuut met de fiscus over de eventuele belastbaarheid van markt- en kermisrechten als roerend inkomen. Dat blijkt uit een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 10 december 2014. Het standgeld van markten wordt als een onroerend inkomen beschouwd. Ook inkomsten van bepaalde concessies voor cafetaria worden als onroerend inkomen beschouwd voor zover "de overeenkomsten in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling ten doel van onroerende goederen" hebben. De federale overheid moet nu alle geïnde bedragen terugbetalen, alsmede moratoriumintresten en de gerechtskosten. De interpretatie van de rechtbank is nog steeds geen oplossing voor de verhuur van boeken. Hiervoor dient een uitzondering te worden toegevoegd aan de lijst van inkomsten die aan de roerende voorheffing zijn onderworpen. Het betreft inkomsten die worden verworven door gemeenten en provincies voor werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten. Bovendien worden deze inkomsten niet verkregen uit activiteiten die op enigerlei wijze in concurrentie kunnen treden met activiteiten van private aanbieders. Een dergelijke bepaling is vergelijkbaar met artikel 6 van het Wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde (WBTW).
1. Zal de fiscale administratie zich neerleggen bij het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 10 december 2014 of in beroep gaan?
2. Overweegt u een circulaire uit te werken die de interpretatie eenduidig maakt in overeenstemming met de uitspraak van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 10 december 2014?
3. a) Hoeveel bedraagt de geïnde roerende voorheffing voor de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen zoals bepaald in artikel 220, 1° en 2°, WIB92, in de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014?
b) Hoeveel van deze bedragen zullen moeten worden terugbetaald?
c) Overweegt u de geïnde bedragen proactief terug te betalen aan de steden en gemeenten?
4. Overweegt u een uitzondering van roerende voorheffing voor lokale overheden in te voeren bij verrichtingen zonder winstoogmerk?
5. Overweegt u om, zoals bij de vennootschapsbelasting, een fiscaal pact te sluiten met de steden en gemeenten?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1 2. Ik kan het geachte Lid meedelen dat mijn administratie thans nog onderzoekt of er tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 10 december 2014 beroep zal worden aangetekend. Op het algemene vlak moet de kwalificatie van de inkomsten die voortvloeien uit het verlenen van een concessie geval per geval worden beoordeeld op basis van de overeenkomst in kwestie. Het lijkt me dan ook voorbarig om een circulaire op te stellen waaruit zou blijken dat de administratie zich aansluit bij het standpunt zoals uiteengezet in het voormelde vonnis.
3. In het kader van deze problematiek is door de fiscale administratie een raming gemaakt van de mogelijk budgettaire kost uitgaande van een eventuele teruggaaf van roerende voorheffing die, overeenkomstig de beschikkingen opgenomen in het Arrest van het Grondwettelijk Hof, zou verschuldigd zijn aan de betrokken lokale overheden. Het betreft een kost die ontstaan is in de jaren 2013 en 2014. Uit de bovenbedoelde studie blijkt dat er voor de betrokken jaren een kost van respectievelijk 4.774.518 euro en 10.020.721 euro zou verschuldigd zijn. De bedragen die het voorwerp uitmaken van een eventuele teruggaaf, zullen overeenkomstig de wettelijke beschikkingen ter zake worden teruggestort aan de betrokken steden en gemeenten.
4. Overeenkomstig artikel 221, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), zijn alle aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen belastbaar op de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen. De belasting met betrekking tot de in artikel 221, 2°, WIB 92, vermelde inkomsten is, overeenkomstig artikel 225, eerste lid, WIB 92, gelijk aan de roerende voorheffing. Het betreft hier zowel publiekrechtelijke rechtspersonen die, overeenkomstig artikel 220, 1° en 2°, WIB 92, onvoorwaardelijk aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn, als privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen die geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, of ingevolge artikel 181 en 182, WIB 92, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Het invoeren van een vrijstelling van roerende voorheffing voor lokale overheden bij verrichtingen zonder winstoogmerk zou ertoe leiden dat lokale overheden niet langer roerende voorheffing verschuldigd zijn, terwijl een andere privaat of publiekrechtelijke rechtspersoon die eveneens aan de rechtspersonenbelasting onderworpen wordt, dan weer wel roerende voorheffing verschuldigd is op gelijkaardige verrichtingen. Een dergelijke situatie zou niet stroken met het engagement van de regering om een fiscale loyaliteit tussen de privésector en de overheidssector te creëren. Er wordt daarom niet overwogen een vrijstelling van roerende voorheffing voor lokale overheden bij verrichtingen zonder winstoogmerk in te voeren.
5. Wij verwijzen naar bovenstaande antwoorden.
