Parlementaire vraag nr. 443 van mevrouw Charlotte Verkeyn van 11.09.2025

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2025-2026, QRVA 56/028 d.d. 22.10.2025, blz. 171

Exit taks. - Beleggingsvennootschappen met belastingregeling die afwijkt van het gemeen recht

VRAAG (van mevrouw Verkeyn)

De programmawet van 18 juli 2025 heeft een 2°quater aan artikel 18, eerste lid WIB92 toegevoegd, dat bepaalt dat de emigratie van een vennootschap naar Belgisch recht (verplaatsing van de maatschappelijke zetel of reorganisatie waarbij een vermogensoverdracht naar het buitenland plaatsvindt) fiscaal wordt behandeld als een fictieve vereffening van deze vennootschap, in hoofde van haar aandeelhouders. Artikel 21, eerste lid, 2° WIB92 voorziet overigens reeds lang dat inkomsten van aandelen andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, eerste lid, 4° en 19bis WIB92, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen door een beleggingsvennootschap die een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht, geen inkomsten zijn van roerende goederen en kapitalen. Deze bepaling is met name van toepassing op de liquidatieboni van beveks naar Belgisch recht. Kunt u bevestigen dat artikel 21, eerste lid, 2° WIB92 nog steeds van toepassing is in geval van verplaatsing van de maatschappelijke zetel of reorganisatie van een Belgische bevek, voor zover de verrichting fiscaal wordt behandeld als een gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen?

ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen)

Als een Belgische bevek vanaf 29 juli 2025 haar zetel van bestuur verplaatst naar het buitenland (artikel 210, § 1, 4°, WIB 92) of betrokken is bij reorganisatieverrichtingen (artikel 210, § 1, 1° en 1°bis, WIB 92) in de mate dat die verrichtingen een overbrenging van bestanddelen van het vermogen van de bevek naar het buitenland met zich meebrengen, dan is artikel 18, eerste lid, 2°quater, WIB 92, van toepassing in hoofde van haar aandeelhouders, die worden geacht een dividend te hebben verkregen naar aanleiding van de voormelde verrichtingen. Artikel 21, eerste lid, 2°, WIB 92, is van toepassing op de in het vorige lid bedoelde verrichtingen.