Parlementaire vraag nr. 1064 van de heer Gilles van 02.05.1994

VRAAG 94/1064
Bull. nr. 743, pag. 3152
Roerende inkomsten - Schadevergoeding
De wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen voert, in artikel 110, een systeem in om de spaarders en houders van effecten een schadevergoeding toe te kennen ingeval hun kredietinstelling in gebreke blijft. Uit de analyse van de parlementaire stukken blijkt dat die waarborg niet zou gelden voor beleggingen in een andere vorm van deposito's. Dat lijkt mij op zijn minst logisch, aangezien de andere financiële produkten naamloos zijn.
1.
Bevestigt u die toestand ?
2.
a)
Wat is de situatie ter zake in de overige lidstaten van de Europese Unie ?
b)
Hoeveel bedraagt, per financieel produkt, de waarborg die in de andere lidstaten wordt vereist ?
c)
Wat is in voorkomend geval de weerslag van het al dan niet anoniem karakter van die produkten op de geboden waarborgen ?
d)
Bestaat geen verplichting om de genieter van de interesten fiscaal te kunnen identificeren, en zo ja, in welke gevallen ?
3. Is het niet aangewezen de bepaling uit de wet van 22 maart 1993 ook van toepassing te maken op andere categorieën van financiële produkten, in zoverre twee voorwaarden gelijktijdig worden vervuld, namelijk : het financieel produkt moet onherroepelijk op naam zijn gesteld en de waarde ervan moet op een effectenrekening bij de emitterende instelling zijn gestort ?
ANTWOORD
Ik heb de eer het volgende antwoord te geven op de vraag van het geacht lid.
1. De regeling met betrekking tot de bescherming van deposito's moet enerzijds worden gezien in het licht van de zopas goedgekeurde Europese richtlijn inzake de depositogarantiestelsels en anderzijds van de sinds 1 januari 1985 in België bestaande regelingen.
Duidelijkheidshalve dient te worden vermeld dat artikel 110 van de wet van 22 maart 1993 nog niet in werking is getreden. Dat zal pas gebeuren eens de nieuwe depositobeschermingsregeling die rekening houdt met de voorschriften van voormelde Europese richtlijn, zal zijn ingesteld.
In de thans geldende Belgische regelingen worden effecten aan toonder terugbetaald op voorwaarde dat de houder kan bewijzen - op een andere wijze dan louter op grond van bezit - dat hij eigenaar was van die effecten voor de dag waarop het onvermogen van de instelling is vastgesteld.
In artikel 1 van de Europese richtlijn worden de te waarborgen deposito's gedefinieerd als "de creditsaldo's die het gevolg zijn van op een rekening staande gelden of die tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeien en die de kredietinstelling onder de toepasselijke, wettelijke of contractuele voorwaarden dient terug te betalen, alsmede schuldvorderingen waarvoor de kredietinstelling overdraagbare schuldbewijzen heeft uitgegeven".
De richtlijn staat de lidstaten evenwel toe om voor bepaalde deposanten of deposito's geen dan wel een beperkte waarborg te verstrekken. Zo is het onder meer toegestaan geen waarborg te verstrekken voor niet-nominatieve deposito's. Een uitsluiting van effecten aan toonder is derhalve toegestaan door de richtlijn.
Gelet op de praktische moeilijkheden bij het verlenen van een tegemoetkoming voor effecten aan toonder en op het frauderisico, wordt bij de voorbereiding van de omzetting van de richtlijn in het Belgische recht overwogen de houders van effecten waarvan de uitgevende instelling in gebreke blijft, enkel te vergoeden als het gaat om effecten op naam of in open bewaargeving.
2.
a)
en c) Op grond van informatie die konden worden ingewonnen, wordt in de volgende landen in elk geval geen terugbetaling verleend voor effecten aan toonder : Duitsland, Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, Nederland en Spanje.
Net als de huidige Belgische regelingen voorziet het Engelse systeem in een terugbetaling van effecten aan toonder voor zover de houder kan bewijzen dat hij eigenaar was van deze effecten vóór de dag waarop het onvermogen van de instelling wordt vastgesteld.
b)
In alle lidstaten van de Europese Gemeenschap - met uitzondering van Griekenland waar een dergelijk systeem nog niet werd ingevoerd - voorziet het depositobeschermingssysteem in een vergoeding per deposant en niet per soort deposito, tenzij in Denemarken waar er voor bepaalde categorieën van deposito's geen beperking geldt en in Italië.
d)
Wanneer een depositogarantiestelsel overgaat tot het vergoeden van de schuldeisers van een in gebreke zijnde instelling, dient dat stelsel, voor wat betreft het gedeelte van de vergoeding dat overeenstemt met inkomsten van kapitalen, te worden beschouwd als een tussenpersoon die betrokken is bij de uitbetaling van dergelijke inkomsten in de zin van artikel 261, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. In dien hoofde dient het garantiestelsel de verplichtingen tot inhouding van de roerende voorheffing en identificatie opgelegd door de fiscale reglementering, na te komen.
In het geval dat de genieter van de inkomsten aanspraak kan maken op het recht op verzaking aan de inning van die voorheffing bij toepassing van de artikelen 107, 110, 113 tot 116 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is de verzaking in de regel onderworpen aan de voorwaarde dat het voormelde garantiestelsel in bezit wordt gesteld van het attest bedoeld in artikel 117 van voornoemd koninklijk besluit.
3. Die vraag werd al beantwoord in punt 1.