Parlementaire vraag nr. 913 van de heer Hatry van 09.12.1994
VRAAG 94/913
Vraag nr. 913 van de heer Hatry dd. 09.12.1994.
Bull. nr. 751, pag. 1882
Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden. - Werking.
In de gespecialiseerde pers werd reeds meermaals kritiek geuit op de werking van de commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden (artikel 345 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen). De beslissingen van deze commissie zijn immers vrij vaak gebrekkig gemotiveerd of de aangevoerde motieven zijn soms betwistbaar.
De geachte minister heeft reeds verklaard dat deze commissie uitsluitend is samengesteld uit ambtenaren omdat de adviezen die zij uitbrengt naderhand bindend zijn voor de administratie;
Men kan zich echter afvragen of door de uitbreiding van de commissie met mensen uit de academische wereld, waar veel specialisten te vinden zijn in fiscaal recht en overheidsfinanciën, of zelfs met specialisten uit de zakenwereld, de dossiers niet in een ander licht gesteld zouden worden en de belastingplichtigen er niet beter van te overtuigen zullen zijn dat de beslissingen in alle onpartijdigheid en objectiviteit worden genomen. Bovendien zou men aldus de voortdurende kritiek vermijden ten aanzien van deze adviezen of het ontbreken van een advies;
Is de geachte minister bereid om een concreet initiatief te nemen in die zin ?
ANTWOORD
Zoals het geachte lid aanhaalt en zoals ik erop heb gewezen in mijn antwoord op de vraag nr. 813 van 14 juli 1994 van senator Suykerbuyk (Bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 131 van 1 november 1994, blz. 6933 en 6934), is de Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden slechts uit ambtenaren samengesteld omwille van het feit dat de administratie der Directe Belastingen een standpunt inneemt omtrent een nog niet verwezenlijkte verrichting en dat dit standpunt de administratie bindt.
De persoon die een vraag om akkoord bij de commissie indient, dient alle elementen te laten gelden welke in rechte en in feite de gegrondheid van zijn vraag staven en het staat hem vrij zich bij de commissie te laten vertegenwoordigen of bijstaan door een behoorlijk gevolmachtigde raadsman of door een advocaat (zie art. 1, § 7, van het koninklijk besluit van 9 november 1992 tot oprichting van een commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden, Belgisch Staatsblad van 25 november 1992).
De commissie beoordeelt dan in alle onpartijdigheid en objectiviteit, rekening houdend met de eigen elementen van elk geval, de rechtmatigheid van de voorgestelde verrichtingen ten opzichte van de desbetreffende bepalingen inzake anti-belastingontwijking.
De commissie treft op oordeelkundige wijze een gemotiveerde beslissing (zie art. 1, § 4, laatste lid, van het voormelde koninklijk besluit) in functie van de vermelde elementen en let erop de ingeroepen motieven met de nodige duidelijkheid te doen uitschijnen. Het spreekt vanzelf dat een ongunstige beslissing van de commissie geen hinderpaal vormt voor de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde verhaalmogelijkheden in geval van betwisting omtrent de aanslag die zou worden gevestigd en waarvan de grondslag door een dergelijke beslissing beïnvloed zou kunnen zijn.
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, zie ik de noodzaak niet in om de samenstelling van de commissie uit te breiden in de door het geachte lid voorgestelde zin.
Vraag nr. 913 van de heer Hatry dd. 09.12.1994.
Bull. nr. 751, pag. 1882
Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden. - Werking.
In de gespecialiseerde pers werd reeds meermaals kritiek geuit op de werking van de commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden (artikel 345 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen). De beslissingen van deze commissie zijn immers vrij vaak gebrekkig gemotiveerd of de aangevoerde motieven zijn soms betwistbaar.
De geachte minister heeft reeds verklaard dat deze commissie uitsluitend is samengesteld uit ambtenaren omdat de adviezen die zij uitbrengt naderhand bindend zijn voor de administratie;
Men kan zich echter afvragen of door de uitbreiding van de commissie met mensen uit de academische wereld, waar veel specialisten te vinden zijn in fiscaal recht en overheidsfinanciën, of zelfs met specialisten uit de zakenwereld, de dossiers niet in een ander licht gesteld zouden worden en de belastingplichtigen er niet beter van te overtuigen zullen zijn dat de beslissingen in alle onpartijdigheid en objectiviteit worden genomen. Bovendien zou men aldus de voortdurende kritiek vermijden ten aanzien van deze adviezen of het ontbreken van een advies;
Is de geachte minister bereid om een concreet initiatief te nemen in die zin ?
ANTWOORD
Zoals het geachte lid aanhaalt en zoals ik erop heb gewezen in mijn antwoord op de vraag nr. 813 van 14 juli 1994 van senator Suykerbuyk (Bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 131 van 1 november 1994, blz. 6933 en 6934), is de Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden slechts uit ambtenaren samengesteld omwille van het feit dat de administratie der Directe Belastingen een standpunt inneemt omtrent een nog niet verwezenlijkte verrichting en dat dit standpunt de administratie bindt.
De persoon die een vraag om akkoord bij de commissie indient, dient alle elementen te laten gelden welke in rechte en in feite de gegrondheid van zijn vraag staven en het staat hem vrij zich bij de commissie te laten vertegenwoordigen of bijstaan door een behoorlijk gevolmachtigde raadsman of door een advocaat (zie art. 1, § 7, van het koninklijk besluit van 9 november 1992 tot oprichting van een commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden, Belgisch Staatsblad van 25 november 1992).
De commissie beoordeelt dan in alle onpartijdigheid en objectiviteit, rekening houdend met de eigen elementen van elk geval, de rechtmatigheid van de voorgestelde verrichtingen ten opzichte van de desbetreffende bepalingen inzake anti-belastingontwijking.
De commissie treft op oordeelkundige wijze een gemotiveerde beslissing (zie art. 1, § 4, laatste lid, van het voormelde koninklijk besluit) in functie van de vermelde elementen en let erop de ingeroepen motieven met de nodige duidelijkheid te doen uitschijnen. Het spreekt vanzelf dat een ongunstige beslissing van de commissie geen hinderpaal vormt voor de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde verhaalmogelijkheden in geval van betwisting omtrent de aanslag die zou worden gevestigd en waarvan de grondslag door een dergelijke beslissing beïnvloed zou kunnen zijn.
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, zie ik de noodzaak niet in om de samenstelling van de commissie uit te breiden in de door het geachte lid voorgestelde zin.
Bron: FisconetPlus
