Parlementaire vraag nr. 1316 van mevrouw Pieters van 07.06.2006
VRAAG 06/1316
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 132, blz. 26119-26120
Directoriale beslissing over een bezwaar- of verzoekschrift - Aanvullende aanslagen
VRAAG
Het valt geregeld voor dat belastingplichtigen zowel tegen aanvankelijke als tegen aanvullende belastingaanslagen al dan niet na een voorgaand oppervlakkig onderzoek van hun belastingtoestand een bezwaarschrift en/of een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing indienen waaromtrent veelal binnen een redelijke termijn van zes maanden een directoriale beslissing wordt getroffen respectievelijk in de zin van artikelen 375 en 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zonder dat de territoriaal bevoegde taxatiediensten daarbij vóór die beslissing eerst nog andere en definitieve onderzoeksdaden hadden ingesteld.
In dit verband rijzen evenwel de volgende algemene juridische en procedurele vragen.
1. Mogen nà het treffen van al die al dan niet gedeeltelijk gunstige of ongunstige directoriale beslissingen en/of ambtshalve ontheffingen dan naderhand steeds weer opnieuw en zonder enige fiscale beperking al dan niet met betrekking tot de eerder behandelde betwistingen :
a) opeenvolgende aanvullende positieve belastingaanslagen inzake personenbelasting en inzake vennootschapsbelasting worden gevestigd, andere dan die waarvan sprake in artikel 355 WIB 1992;
b) door dezelfde aanslagambtenaren of door andere taxatieambtenaren nog grondige onderzoeksdaden worden ingesteld in de zin van artikel 333, eerste tot derde lid, WIB 1992 ?
2. Of zijn die administratieve directoriale beslissingen, die ontlaste of ontheven belastingaanslagen als de daarmee verband houdende belastbare grondslagen nà het verstrijken van de termijn van hoger beroep bij de bevoegde rechtbank van eerste aanleg zonder meer «onherroepelijk» en «definitief» geworden ?
3. Op grond van al welke wettelijke bepalingen, rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, is het met andere woorden in rechte nog toegelaten supplementaire aanslagen te vestigen, nieuwe onderzoekingen te verrichten en buiten de afgesloten bezwaarfase de belastbare grondslagen nog telkens weer verhogen ?
4. Kunt u terzake punt per punt voor die beide mogelijkheden van ontheffing uw ziens- en handelwijze meedelen, zowel in het licht van de wettelijke bepalingen van het WIB 1992 als in het kader van alle beginselen van behoorlijk bestuur en van de eventueel bestaande constante rechtspraak ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 16.08.2006)
De bezwaarprocedure overeenkomstig artikel 375 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) en de procedure ontheffing van ambtswege overeenkomstig artikel 376 van het WIB 1992 vormen een administratief beroep. Aangezien het een administratief beroep betreft zijn de regels die de bestuurshandelingen beheersen van toepassing, inzonderheid de beginselen van behoorlijk bestuur.
Het vertrouwensbeginsel wordt verzekerd doordat zowel de directoriale beslissing ingevolge een procedure tot ontheffing van ambtswege als de directoriale beslissing ingevolge een bezwaarprocedure «kracht van administratief gewijsde» hebben. Alleen de rechter kan een beslissing van de directeur herzien. (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr. 1-966/11, blz. 169).
Deze kracht van administratief gewijsde bestaat evenwel slechts ten aanzien van de grieven die door de directeur werden onderzocht en waarover hij uitspraak deed. Aangezien de fiscale wetten van openbare orde zijn, kunnen alle andere bestanddelen van de aanslag, zelfs indien ze in de beslissing werden vermeld, overeenkomstig artikel 333, WIB 1992 door de aanslagambtenaar worden herzien. De aanslagambtenaar kan hiertoe zijn onderzoeksrechten uitoefenen zowel tijdens het belastbare tijdperk als tijdens de termijnen waarvan sprake is in artikel 354, WIB 1992.
Bron: FisconetPlus
