Parlementaire vraag nr. 63 van mevrouw Zoé Genot van 23.12.2011

Parlementaire vraag nr. 63 van mevrouw Zoé Genot dd. 23.12.2011

Vragen en Antwoorden, Kamer 2011-2012, nr. 51 van 06.02.2012, blz. 34

Personenbelasting

Onroerende voorheffing

Kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Terugbetaling van de OV

VRAAG

De boekhoudafdeling van de socialehuisvestingsmaatschappij van de gemeente Sint-Joost-ten-Node (Goedkope Woningen van Sint-Joost-ten-Node) had bij de FOD Financiën een aanvraag ingediend met het oog op de terugvordering van de onroerende voorheffing die gestort werd voor appartementen die in afwachting van een grondige renovatie onbewoonbaar waren en dus leegstonden. De FOD Financiën antwoordde, zes maanden na de aanvraag, dat de terugstorting slechts voor één jaar toegestaan werd, en naar verluidt moesten er voor elk leegstaand appartement een indrukwekkend aantal administratieve formaliteiten vervuld en een al even indrukwekkend aantal documenten overgelegd worden.

1. Vindt u het normaal dat het antwoord van de FOD Financiën zes maanden op zich liet wachten?

2. Waarom wordt die terugstorting slechts voor één jaar toegestaan, terwijl de onroerende voorheffing in het voorliggende geval verscheidene jaren lang niet verschuldigd was?

3. a) Welke regels gelden er precies voor de terugvordering van de niet-verschuldigde onroerende voorheffing?

b) Welke documenten moeten er worden voorgelegd?

ANTWOORD (van de heer Vanackere, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken)

Voor de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen onroerende goederen wordt de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing voor leegstaande gebouwen geregeld door de Ordonnantie van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1992), aangevuld door de Ordonnantie van 13 april 1995 (Belgisch Staatsblad van 13 juni 1995). Hierin werden andere voorwaarden toegevoegd dan deze bepaald door de federale wetgever in artikel 257, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. De strenge voorwaarden van de Ordonnantie beogen eigenaars sneller aan te zetten tot verhuring en leegstand en verkrotting tegen te gaan. Artikel 2bis van voornoemde Ordonnantie bepaalt:

In afwijking van artikel 257, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest slechts een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend onder de volgende voorwaarden:

1° dat het een gebouwd onroerend goed betreft, dat niet gemeubileerd is en dat in de loop van het jaar gedurende ten minste negentig dagen niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht;

2° dat het onder 1° bedoelde gebouw hetzij ongezond maar verbeterbaar is verklaard, in de zin van artikel 6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 29 maart 1990 betreffende de toekenning van toelagen voor de renovatie van woningen aan natuurlijke personen, hetzij door de gemeenteraad, krachtens artikel 119 van de nieuwe gemeentewet, of door de burgemeester, krachtens de artikelen 133 en 135 van dezelfde wet, ongezond maar verbeterbaar is verklaard;

3° dat het gebouw na de werkzaamheden voldoet aan de minimale bewoonbaarheidsnormen, omschreven in artikel 6 van hetzelfde besluit;

4° dat de belastingplichtige, bedoeld in artikel 251 van hetzelfde Wetboek, een bewoning van het gebouw bewijst gedurende een ononderbroken periode van negen jaar. De onderbrekingen van maximaal negentig dagen worden beschouwd als ononderbroken bewoning;

5° dat de belastingplichtige aan de gewestelijke directeur van de administratie van de directe belastingen, bevoegd voor de plaats waar het ongezond verklaard maar verbeterbaar gebouw is gelegen, een attest bezorgd dat al naargelang het geval door de administratie voor de huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of door het gemeentebestuur is uitgereikt.

Ingevolge het arrest van het Arbitragehof nr. 187/2002 van 19 december 2002 op de prejudiciële vraag betreffende voormeld artikel 2bis geldt echter dat ook eigenaars van goed onderhouden woningen van wie de woning leegstaat wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van hun wil een kwijtschelding of proportionele vermindering kunnen genieten onder volgende voorwaarden:

1° dat het een gebouwd onroerend goed betreft dat niet gemeubileerd is en dat in de loop van het jaar gedurende tenminste negentig dagen niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht;

2° dat de belastingplichtige een bewoning van het gebouw bewijst gedurende een ononderbroken periode van negen jaar. De onderbrekingen van maximaal negentig dagen worden beschouwd als ononderbroken bewoning. In dit geval is het aan de belastingplichtige om door alle rechtsmiddelen het bewijs te leveren dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. De kwijtschelding of proportionele vermindering van onroerende voorheffing kan slechts worden bekomen mits het indienen van een bezwaarschrift binnen de in artikel 371, van het WIB 92 voorgeschreven termijn of een verzoekschrift binnen de termijn bepaald in artikel 376, § 3, 2°, WIB 92 bij de bevoegde gewestelijke directeur der directe belastingen (sector taxatie). Enerzijds moeten de specifieke, door artikel 2bis van de vermelde Ordonnantie vereiste, documenten worden voorgelegd. Anderzijds moet het bewijs dat aan de andere gestelde voorwaarden is voldaan, door alle rechtsmiddelen worden geleverd. De door artikel 2bis vereiste periode van ononderbroken bewoning van negen jaar moet aanvangen negen jaar vóór de periode waarvoor de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing wordt gevraagd. Om die reden kan de kwijtschelding of proportionele vermindering slechts voor één jaar worden toegestaan. Nadien is aan de voorwaarde van ononderbroken bewoning niet meer voldaan. De administratie meent dat in dossiers van een dergelijke complexiteit een antwoordtermijn van zes maanden niet overdreven is. Indien het geachte lid in dit specifieke geval echter over de referenties van het dossier beschikt, kan de Administratie het dossier evenwel nader onderzoeken.