Parlementaire vraag nr. 741 van de heer Caluwé van 27.06.2001
VRAAG 01/741
Vr. en Antw., Senaat, 2001-2002, nr. 2-46, blz. 2406-2407
Enige woning - Beoordeling
VRAAG
De belastingbesparing op het terugbetaalde kapitaal is kleiner als de kredietnemer-belastingplichtige op het ogenblik van het aangaan van het hypothecaire krediet voor zijn toekomstige enige woning alsnog eigenaar is van een woning. In dat geval wordt de belastingbesparing berekend op een kredietgedeelte van 2 200 000 frank (er is geen verhoging wegens kinderlast) tegen de verbeterde gemiddelde aanslagvoet, in plaats van tegen de marginale aanslagvoet. De beoordeling of de kredietnemer reeds eigenaar is van een woning gebeurt op het ogenblik van het verlijden van de kredietakte. Dat de kredietnemer zijn bestaande woning verkoopt om samen met het geleende bedrag een nieuwe woning te financieren doet niets terzake.
Nochtans is het dikwijls de realiteit dat de kredietnemer pas zijn bestaande woning effectief kan verkopen nadat hij een nieuwe woning heeft gekocht of gebouwd. Wil hij de gunstige fiscaliteit genieten, dan zou hij eerst zijn bestaande woning moeten verkopen en zich pas nadien een andere aanschaffen. Zijn extra fiscale besparing zou in dat geval verloren gaan aan huuruitgaven.
De fiscale administratie heeft in een soortgelijke materie een meer realistische houding aangenomen. Het gaat om kapitalen van een groepsverzekering die normaal belast worden tegen 16,5 % of 10 %. Maar als de groepsverzekering werd beleend voor het bouwen, kopen of verbouwen van een eerste woning, wordt het kapitaal van de groepsverzekering omgezet in een fictieve lijfrente. In een toelichting omtrent het begrip eerste woning, zegt de administratie dat geen rekening moet worden gehouden met een woning die te koop is aangeboden op de datum van het krediet en dat op een manier dat een vervreemding binnen een korte termijn in het vooruitzicht kan worden gesteld (Fiskoloog nr. 572 van 19 juni 1996).
In haar Commentaar op het Wetboek der inkomstenbelastingen geeft de administratie bij artikel 169 WIB 1992 (Com JB nr. 169/7) een andere omschrijving voor het begrip « eerste woning » dan in haar commentaar op artikel 145 WIB 1992. Hierdoor komt de rechtszekerheid in de desbetreffende materie in het gedrang. Aangezien beide artikelen op hetzelfde betrekking hebben, is het ons inziens onlogisch dat de administratie zichzelf zou tegenspreken in deze materie.
Kan de geachte minister het voorstel aanvaarden dat erin bestaat dat de te koop gestelde woning op het ogenblik van het verlijden van de kredietakte geen beletsel vormt voor de verhoogde belastingbesparing. Zodoende zou de administratie bij artikel 145 WIB 1992 dezelfde soepele houding aannemen inzake het begrip « eerste woning » en « enige woning » als bij artikel 169 WIB 1992.
ANTWOORD
Met betrekking tot de door het geachte lid aangehaalde problematiek, die ook reeds aan mijn voorganger werd gesignaleerd, heb ik de administratie van Fiscale Zaken verzocht een wetsontwerp voor te bereiden waarbij de voorwaarde omtrent de enige woning voor de toekenning van de fiscale voordelen inzake de bijkomende interestaftrek en de verhoogde vermindering voor het bouwsparen jaarlijks beoordeeld wordt, namelijk op 31 december van elk inkomstenjaar.
Dit lijkt mij niet alleen billijker, maar ook consequenter, aangezien die regeling thans reeds toepasselijk is inzake de bijkomende interestaftrek.
Bron: FisconetPlus
