Parlementaire vraag nr. 714 van de heer Daerden van 15.03.1994

VRAAG 94/714

Vraag nr. 714 van de heer Daerden dd. 15.03.1994


Bull. nr. 749, pag. 1295

Coördinatiecentra en aftrekbare interesten.

Artikel 55 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) (ingevoerd door de wet van 28 juli 1992) heeft een grondige wijziging aangebracht in de regeling voor de aftrek als beroepskosten, van de interest van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen.

Die interesten zijn slechts aftrekbaar voor zover zij niet hoger zijn dan een bedrag dat overeenstemt met de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet, rekening houdend met de bijzondere gegevens eigen aan de beoordeling van het aan de verrichting verbonden risico en inzonderheid met de financiële toestand van de schuldenaar en met de looptijd van de lening.

In tegenstelling tot de vorige wettekst die de referentierentevoeten bij koninklijk besluit bepaalde, verplicht de nieuwe wet de belastingplichtige te bewijzen dat de interesten die hij betaalt niet hoger zijn dan de rentevoet die, gelet op de looptijd van de lening en zijn concrete financiële toestand, op de markt geldt (zie in dit verband Gedr. St. Kamer, nr. 444-9, 1991-1992, blz. 134).

Kan de geachte minister mij een antwoord verstrekken op de volgende vragen :

1. Hoe moet het begrip marktrente worden geïnterpreteerd in het geval van een lening die een coördinatiecentrum aangaat bij een financiële instelling ?

Hoe moet die referentie in het bijzonder voor de overeenkomsten gesloten vóór 24 juli 1991 worden geïnterpreteerd rekening houdend met het bestaan van een fictieve roerende voorheffing (toegekend aan de begunstigde van de interesten, nl. de financiële instelling, en over het algemeen aan het coördinatiecentrum terugbetaald via een vermindering van de voor die lening toegepaste rentevoet) ?

2. Hoe moet het begrip marktrente worden geïnterpreteerd in het geval van een lening die een coördinatiecentrum met het oog op een nieuwe investering sluit met één van de ondernemingen die behoort tot de daarmee verbonden groep ?

Indien de lening die het centrum van de onderneming sluit, gefinancierd wordt via een lening die het centrum aangaat bij een financiële instelling (waarbij in het geval van deze laatste lening een fictieve roerende voorheffing aan het centrum wordt terugbetaald door een vermindering van de voor die lening toegepaste rentevoet), kan de rentevoet die het centrum verkrijgt (korting inbegrepen) niet worden beschouwd als een referentie om de marktrente te bepalen van de lening die gesloten wordt tussen het centrum en de onderneming die investeert ?

Dat lijkt mij een logische interpretatie gelet op de groepsbinding en gelet op de filosofie die aan de wettekst ten grondslag ligt, nl. het bevorderen van de investeringen door de kostprijs ervan te verlagen.

3. Artikel 55 van het WIB 92 is van toepassing op de interesten betaald of toegekend vanaf 1 januari 1992 : overeenkomsten met betrekking tot leningen of soortgelijke overeenkomsten die vóór die datum werden afgesloten, vallen dus onder de toepassing van dit artikel. Kunt u mij bevestigen of dit artikel wel degelijk van toepassing is :

a) Op de interesten die door een coördinatiecentrum worden betaald aan een financiële instelling;

b) En op de interesten die door de ondernemingen die lid zijn van de groep worden betaald aan het coördinatiecentrum ?

ANTWOORD

Vooreerst wens ik het geachte lid eraan te herinneren dat de in artikel 55 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (afgekort WIB 92) bedoelde beperking van de aftrek van interest inzonderheid niet van toepassing is in de gevallen beoogd in artikel 56, § 2, van hetzelfde wetboek. Onder dat voorbehoud kan ik bevestigen dat artikel 55, WIB 92, van toepassing is in de in zijn derde vraag bedoelde gevallen.

Wat de door het coördinatiecentrum (hierna "het centrum" genoemd) bij een financiële instelling afgesloten leningen betreft, is de in aanmerking te nemen rente, naast andere beoordelingselementen, afhankelijk van de financiële waarborgen die het centrum en/of de groep waarvan het deel uitmaakt, kan verstrekken. Behoudens bijzondere omstandigheden, moet in de regel worden aangenomen dat de voorwaarden waartegen dergelijke leningen worden afgesloten minstens even gunstig moeten zijn als wanneer deze leningen door de groepsleden waarvoor zij uiteindelijk zijn bestemd, rechtstreeks worden afgesloten. Het feit dat de eventuele fictieve roerende voorheffing door de geldschieter geheel of gedeeltelijk als korting aan het centrum wordt teruggegeven, is zonder invloed op de bepaling van voormelde rente.

Wanneer het centrum een lening toestaat aan een vennootschap van de groep dient de in artikel 55, WIB 92, beoogde marktrente in principe te worden beoordeeld rekening houdend met inzonderheid het ten opzichte van de schuldenaar bestaande risico.

Aangezien dat risico, behalve wanneer behoorlijk verantwoorde bijzondere omstandigheden kunnen worden ingeroepen, in de regel op groepsniveau is gedekt en/of reeds in aanmerking wordt genomen bij de onderhandelingen tussen het centrum en de financiële instelling, mag, alle andere omstandigheden overigens gelijkblijvend, de te weerhouden "marktrente" met betrekking tot de tussen het centrum en de ontlenende vennootschap afgesloten lening, niet verschillen van het tarief waartegen het centrum zichzelf heeft gefinancierd, met uitzondering evenwel van een marge die op een redelijke wijze moet worden vastgesteld en die bestemd is om onder meer het aan de uiteindelijke ontlener verbonden bijkomend risico waarmee nog geen rekening werd gehouden en de door het centrum gedragen kosten voor het beheer van de lening te dekken.