Parlementaire vraag nr. 96 van de heer van Weddingen van 02.07.1992
VRAAG 92/096
Bull. nr. 722, pag. 3456
Aftrekbaarheid van minderwaarden op aandelen
Artikel 192 (art. 282 van de coördinatie van 1992) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (gewijzigd door de wet van 23 oktober 1991) bepaalt dat "uit hoofde van dividenden geen roerende voorheffing wordt verrekend in zover de toekenning of betaalbaarstelling daarvan een waardevermindering of een minderwaarde tot gevolg heeft van de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben".
Deze bepaling werd ingevoerd om een aantal misbruiken te kunnen bestrijden zoals de massale toekenning van dividenden door een vennootschap, die als DBI worden belast en die vervolgens aanleiding geven tot een fiscaal aftrekbare waardevermindering.
Het stelsel van de aftrekbaarheid van waardeverminderingen of van minderwaarden op aandelen werd sindsdien grondig gewijzigd.
De vraag is nu of deze bepaling ook van toepassing is wanneer de boekhoudkundige waardevermindering, die met name wordt verantwoord door de toepassing van regels voor de waardebepaling, in het nieuwe stelsel niet aftrekbaar is.
Wanneer men in een dergelijk geval de aftrek van de roerende voorheffing niet toelaat, komt dit neer op een onrechtvaardige bestraffing met name van vennootschappen die over financiële activa beschikken, aangezien de waarde van die activa schommelt naargelang van de toekenning van inkomsten die daarop betrekking hebben aan de aandeelhouders, terwijl die vennootschappen ertoe gehouden zijn in hun jaarrekening de juiste waarde van hun tegoeden weer te geven.
Kan de geachte minister mij zijn interpretatie geven?
ANTWOORD
Artikel 111, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde, vóór zijn opheffing door artikel 1, A, 4°, van de bedoelde wet van 23 oktober 1991, dat de in § 1, 1°, van dat artikel 111 bedoelde inkomsten, niet konden worden afgetrokken van de winst van het belastbaar tijdperk, voor zover dat hun toekenning of betaalbaarstelling een waardevermindering tot gevolg had van de aandelen of delen waarop ze betrekking hadden, met dien verstande evenwel dat de aftrek van waardeverminderingen en minderwaarden op deze effecten fiscaal werd aanvaard.
In het nieuwe stelsel ingesteld door dezelfde wet van 23 oktober 1991, komen de in het vorige lid bedoelde inkomsten voortaan in aanmerking om volledig als definitief belaste inkomsten te worden afgetrokken, dit wil zeggen zonder dat er nog rekening moet worden gehouden met eventuele waardeverminderingen. Daarentegen zijn de waardeverminderingen en minderwaarden niet meer aftrekbaar voor de vaststelling van het belastbaar inkomen, behalve in enkele welbepaalde gevallen (zie art. 109, 3°, van het genoemde wetboek, opnieuw ingevoegd door art. 3, E, van de wet van 23 oktober 1991).
Men kan dus besluiten dat de invloed op het fiscaal resultaat voor beide stelsels bijna gelijk is. In deze omstandigheden, ben ik van mening dat er geen reden is om de bepalingen van artikel 192 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen te wijzigen.
Bron: FisconetPlus
