Parlementaire vraag nr. 667 van de heer Dupré van 25.08.1993

VRAAG 93/667
Bull. nr. 734, pag. 183
Onderhoudsuitkering - Feitelijke scheiding - Voorwaarde van aftrekbaarheid
De dwingende opname in een verzorgingstehuis van een zwaar zorgenbehoevende partner brengt voor de thuiswonende echtgeno(o)t(e), naast een zware morele zorg, meestal nog een zwaardere financiële zorg mee. De thuiswonende echtgenote wordt van de ene op de andere dag eenzaam in huis, zij staat plotseling voor alle werk alleen; zij draagt voortaan alleen de verantwoordelijkheid bij het nemen van belangrijke beslissingen.
De maandelijkse rekeningen - en dus de onkosten - blijven echter dezelfde ondanks het feit dat één van beiden niet meer inwoont. De inkomsten blijven ook dezelfde, namelijk meestal één pensioen.
Bovenop het feit dat de vrouw in een extra budget moet voorzien voor het dagelijks bezoek aan haar man en al wat daar komt bij kijken, dient zij maandelijks ook nog de verblijfsfactuur in het verzorgingstehuis te betalen (= ongeveer 40.000 Belgische frank).
Die zware financiële kost maandelijks opbrengen kan volgens ons maar tijdelijk. Bij de begeleiding van de betrokken familieleden hebben wij duidelijk aangevoeld dat die echtgenotes constant met die vraag en die angst te kampen hebben. Zij durven niet meer gewoon te leven. Zij ontzeggen zichzelf heel veel om zolang mogelijk de verzorging van de partner te kunnen betalen. Hun partner, die zijn hele leven gewerkt en bijgedragen heeft voor de huidige welstand van de bevolking, staat nu zelf, zorgenbehoevend, in de kou.
Kan in de fiscale wetgeving een mogelijkheid worden ingebouwd waardoor de verzorgingskost van de zwaar zorgenbehoevende partner door de echtgenote kan worden ingebracht als "aftrekbare uitkering tot onderhoud" ?
ANTWOORD
Geen enkele wettelijke bepaling laat toe kosten van gezondheidszorg van zichzelf of van zijn huisgenoten van zijn belastbare inkomsten af te trekken, noch in de door het geacht lid geschetste omstandigheden noch in andere even behartenswaardige gevallen.
Ter zake kan alleen de toepassing van artikel 104, eerste lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in een beperkt aantal gevallen onrechtstreeks leiden tot een repercussie op de belastingtoestand van de persoon die de betrokken kosten draagt. Daarbij dient echter vooreerst te worden gewezen op de omstandigheid dat de aftrek van onderhoudsuitkeringen slechts mogelijk is wanneer de schuldenaar en verkrijger geen deel uitmaken van hetzelfde gezin.
Aldus, wanneer een van de echtgenoten in een verzorgingsinstelling wordt opgenomen, wordt doorgaans aangenomen dat die echtgenoot slechts tijdelijk uit de gemeenschappelijke woning verwijderd leeft en dat de gezinsband niet verbroken is, zodat niet voldaan is aan de bovenbedoelde voorwaarde.
Is de door de gezondheidstoestand van een van de echtgenoten veroorzaakte breuk in het gezinsleven daarentegen duurzaam, zo niet onomkeerbaar, dan mag worden aangenomen dat de betrokkenen feitelijk gescheiden zijn (zie de vragen nr. 189 van 3 april 1987 en nr. 192 van 10 april 1987 van respectievelijk de volksvertegenwoordigers Desutter en Sleeckx; zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, nr. 27, gewone zitting 1986-1987, van 26 mei 1987, blz. 2788 en 2789 - Bull. 667).
Alsdan worden de echtgenoten overeenkomstig artikel 128, eerste lid, 2°, van het voornoemde wetboek vanaf het jaar volgend op dat waarin die duurzame breuk plaatsgreep als afzonderlijke belastingplichtigen beschouwd die geen deel meer uitmaken van hetzelfde gezin.
Daaruit volgt dat vanaf datzelfde jaar de kosten die een van de echtgenoten voor de duurzaam in de instelling opgenomen echtgenoot betaalt, in principe kunnen worden aangemerkt als onderhoudsuitkeringen die van zijn inkomsten aftrekbaar zijn a rato van 80 % en die in dezelfde mate bij de andere echtgenoot belastbaar zijn.