Parlementaire vraag nr. 4742 van de heer Karel Uyttersprot van 25.05.2011

Mondelinge parlementaire vraag nr. 4742 van de heer Karel Uyttersprot dd. 25.05.2011

Beknopt verslag 53, Commissie voor de Financiën en de Begroting 241 van 25.05.2011 blz. 7

Personenbelasting

Hypothecaire lening

Belastingvermindering

Bouwsparen

Lange termijnsparen

Naakte eigendom

Gewone interestaftrek

Bijkomende interestaftrek

Belastingvermindering

Energiebesparende uitgave

ANTWOORD (van de heer Uyttersprot)

Voor het afbetalen van hypothecaire leningen bestaan verschillende fiscale aftrekmogelijkheden. Wanneer een natuurlijk persoon enkel beschikt over de naakte eigendom van een woning, is de situatie niet duidelijk. In een rondzendbrief van 2010 staat dat bij het toelaten van de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven het begrip 'eigenaar' eveneens de naakte eigenaar omvat. Dergelijke circulaire is echter niet bindend en wordt bijgevolg niet door alle administraties erkend, wat tot geschillen leidt. De diverse interpretaties van het begrip 'eigenaar' leiden tot onzekerheid inzake fiscale voordelen van leningen. Hieruit blijkt dat de fiscale overheden er bijna steeds van uitgaan dat onder eigendom de naakte eigendom wordt bedoeld, niet de volle eigendom.

Vormt dit geen ongeoorloofde verschillende toepassing van een en hetzelfde begrip?

Zo niet, vermits noch inzake energiebesparende uitgaven, noch inzake leningen het WIB het begrip 'eigenaar' nader definieert, rijst de vraag op welke wettelijke basis een verschillende toepassing geoorloofd is tussen naakte eigendom en volle eigendom.

De circulaire van 2002 verwijst naar het begrip 'eigenaar' in het burgerlijk recht om te concluderen dat enkel de volle eigendom in aanmerking komt voor belastingverminderingen voor het bouwsparen en het langetermijnsparen. Naakte eigendom en louter vruchtgebruik werden toen uitgesloten. Hoe kan dit standpunt nog verdedigd worden indien in het kader van de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven een zelfde burgerrechtelijke analyse niet aan de orde is?

Moet het administratief standpunt niet worden herzien om geschillen te vermijden?

Op welke wettelijke basis weigert de administratie de gewone en bijkomende investeringsaftrek indien men enkel over de naakte eigendom beschikt?

In 2006 heeft de minister bevestigd dat de bijkomende investeringsaftrek bij louter naakte eigendom van een woning wel is toegestaan indien de natuurlijke persoon de naakte eigendom in onverdeeldheid heeft verworven. Waarop is dat gebaseerd?

Indien de investeringsaftrek niet zou zijn toegestaan met betrekking tot een lening die enkel aangegaan werd voor het verkrijgen van een naakte eigendom, voorziet de wet dan in een uitzondering voor de belastingplichtige die, naar aanleiding van de aankoop van de naakte eigendom van een woning, geen onroerende inkomsten geniet, maar toch het genot ervan heeft?

ANTWOORD(van de heer Clerfayt,Staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de Minister van Financiën)

Voor de gewone interestaftrek, de bijkomende intrestaftrek voor hypothecaire leningen en de aftrek voor de enige en eigen woning is een duidelijk verband vereist met het kadastraal inkomen. Aangezien de naakte eigenaar daarop niet wordt belast, komt hij niet in aanmerking voor de genoemde aftrek.

De vermindering voor het langetermijnsparen en voor het bouwsparen is afhankelijk van de voorwaarde dat een hypothecaire lening is aangegaan om een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen. Volgens een cassatiearrest van 17 mei 1996 kan alleen de eigenaar van de woning op die vermindering aanspraak maken.

Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft het begrip 'eigendom'. Het eigendomsrecht omvat drie essentiële zaken: de beschikking, het gebruik en het genot. Die drie zijn alleen verenigd in de volle eigenaar. De naakte eigenaar heeft alleen het recht van de beschikking. Bijgevolg kan alleen de volle eigenaar op de vermindering voor het langetermijnsparen en het bouwsparen aanspraak maken.

Er is op dat vlak geen constante rechtspraak. In tegenstelling tot het vonnis van 26 november 2009 van de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt zijn er bijvoorbeeld ook twee vonnissen van 22 maart 2011 waarin de rechtbank van eerste aanleg te Gent zich wel bij het standpunt van de administratie heeft aangesloten. Daarover bestaat dus nog veel discussie.

Wat de toepassing van de artikelen 145/24, 145/25 en 145/31 van het WIB 92 betreft, geldt niet hetzelfde verband met het onroerende inkomen van de woning zoals dat voor de gewone interestaftrek, de bijkomende intrestaftrek en de woonbonus wel het geval is.

Bovendien heeft de wetgever de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven en voor uitgaven ter beveiliging van de woning tegen inbraak of brand, uitgebreid naar de huurder. Om redenen van billijkheid laat de administratie de naakte eigenaar eveneens toe om een beroep te doen op belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen in een zone voor positief grootstedelijk beleid. Deze maatregel is vergelijkbaar met de twee andere vermelde belastingverminderingen.

CONCLUSIE (van de heer Uyttersprot)

Er is dus duidelijk een interpretatieverschil tussen investeringsaftrek voor leningen tot het bekomen van een woning en investeringsaftrek met betrekking tot energiebesparende maatregelen. De administratie en de rechtbanken zitten niet op dezelfde lijn en daarvan is de rechtszoekende de dupe. Er moet dus voor meer duidelijkheid worden gezorgd.