Parlementaire vraag nr. 1245 van mevrouw Pieters van 25.04.2006

VRAAG 06/1245

Vraag nr. 1245 van mevrouw Pieters dd. 25.04.2006


Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 120, blz. 23284-23286

Onmiddellijke intrekking van administratieve rechtshandelingen en gezagshandelingen

VRAAG

Uit uw antwoord van 28 maart 2006 op mijn vraag nr. 1003 van 23 november 2005 blijkt dat uw belastingadministratie het niet eens is met de toepasbaarheid van de theorie van de onmiddellijke intrekking van onwettige rechts- en gezaghandelingen op een «directoriale beslissing» in de zin van artikel 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 115, blz. 21119).

1. De algemene pertinente vraag blijft zich echter wel stellen of al uw fiscale administraties daarentegen wel volledig akkoord gaan met de onmiddellijke toepassing van genoemd principe in alle overige fases van de fiscale procedures, zowel inzake directe belastingen als inzake indirecte belastingen ?

2. Kunt u onder meer dan ook op de volgende punten en/of in de onderstaande fases van de gevolgde fiscale procedures inzake directe en/of inzake indirecte belastingen uw huidige ziens- en handelwijze precies weergeven:

a) de onderzoeks- en taxatieprocedure inzake directe belastingen;

b) de al dan niet ambtshalve wijzigingsprocedure in de zin van de artikelen 346 en 351 WIB 1992;

c) de onderzoeksprocedure inzake BTW;

d) het onderzoek van een bezwaarschrift inzake directe belastingen vóór het treffen van en directoriale beslissing ( cf. onder meer artikel 374 WIB 1992);

e) de invorderingsakten inzake directe en indirecte belastingen ?

3. Welke klantvriendelijke administratieve richtlijnen en instructies zullen er op alle voornoemde vlakken weldra worden uitgevaardigd ?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 04.05.2006)

Wat betreft de inkomstenbelastingen zal de taxatieambtenaar die vaststelt dat hij in de loop van de onderzoeks- en taxatieprocedure een onwettigheid heeft begaan, in principe die onwettigheid rechtzetten zolang er geen aanslag werd gevestigd.

Eenmaal de aanslag gevestigd kunnen de eventuele onwettigheden die de aanslag voorafgaan slechts worden rechtgezet via de wettelijk voorgeschreven administratieve beroepsprocedure.

Overeenkomstig artikel 375, WIB 1992 is de directeur der belastingen beperkt tot het onderzoek van de grieven die de belastingplichtige aanvoert.

Voor de niet toepasbaarheid van de theorie van de onmiddellijke intrekking van onwettige administratieve rechts- en gezagshandelingen op artikel 375, WIB 1992 verwijs ik integraal naar mijn antwoord van 28 maart 2006 op de vraag nr. 1003 van 23 november 2005 van het geachte lid ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 115, blz. 22229).

Wat betreft de BTW kan worden besloten dat in het BTW-belastingsysteem de theorie van de onmiddellijke intrekking van minstens Europees onwettige rechts- en gezagshandelingen bij jurisprudentie is verankerd.

Wat betreft de invordering van directe en de indirecte belastingen zal de ontvanger die kennis krijgt van een onwettelijke invorderingshandeling het nodige doen om de onjuiste toestand recht te zetten. De oplossing kan evenwel verschillend zijn van geval tot geval.

Zo zal bijvoorbeeld een beslag op roerend goed dat per vergissing wordt gelegd bij een verkeerde persoon, onmiddellijk worden opgeheven. De Ontvanger van de BTW die een dwangbevel laat betekenen aan een verkeerde persoon, kan een nieuw dwangbevel betekenen en het voorgaande intrekken.

Anderzijds, indien een dwangbevel werd betekend voor een schuld die naderhand, ingevolge een bezwaar, wordt verminderd of volledig ontlast, zal echter geen officiële intrekking van het dwangbevel gedaan worden. De directoriale of gerechtelijke beslissing maakt immers de akte van tenuitvoerlegging zonder voorwerp. In dit geval zullen de gemaakte vervolgingskosten geheel of gedeeltelijk door de Schatkist ten laste worden genomen.