Parlementaire vraag nr. 1138 van de heer Roel Deseyn van 28.07.2016
Parlementaire vraag nr. 1138 van de heer Roel Deseyn dd. 28.07.2016
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/091, dd. 14.10.2016, blz. 316
Kaaimantaks en de antimisbruikbepalingen
VRAAG
Ik zou graag willen terugkomen op parlementaire vraag nr. 11277 (Integraal Verslag, Kamer, 2015-2016, CRIV 54 COM 421, blz. 41) over de zogenaamde dubbelstructuren en of deze wel geviseerd worden door de Kaaimantaks. Er wordt dus bedoeld de situatie waarin een belastingplichtige een geviseerde "juridische constructie", bijvoorbeeld trust, opricht een waarbij trust vervolgens zelf een rechtspersoon in het leven roept met als doel de initieel in de trust ingebrachte goederen te beheren. U hebt toen geantwoord dat uw "Administratie van oordeel is dat de beschreven structuur wel degelijk onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks valt". Het zou volgens u "ook het doel van de Kaaimantaks volledig miskennen, indien het louter opstapelen van juridische constructies simpelweg zou toelaten de doorkijkbelasting te ontwijken". Bovendien stelde u dat "de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344, § 1 WIB 92 niet uit het oog verloren mag worden". Omwille van uw antwoord ben ik zelf eens op onderzoek gegaan. Met de Kaaimantaks hebben wij zelf een specifieke antimisbruikbepaling in het leven geroepen, namelijk artikel 344/1 WIB. Daar wordt uitdrukkelijk verwezen naar "een in artikel 2, § 1, 13°, b, bedoelde juridische constructie". Dat wil zeggen dat enkel rechtshandelingen van "type 2" juridische constructies niet aan de administratie tegengeworpen kunnen worden. De administratie kan dus enkel "type 2" negeren, wanneer zij werden opgericht met het oog op het ontwijken van de doorkijkbelasting. Ik vraag mij dan af: wat dan met "type 1" constructies, zoals trusts? Een typisch voorbeeld van ontwijking zijn de "Tier 2 constructies" of "dubbelstructuren", zoals hierboven uitgelegd. Zo ontwijkt men de toepassing van de Kaaimantaks voor "type 1 juridische constructies" Er is met andere woorden geen specifieke juridische onderbouw om een Belgische belastingplichtige, die oprichter is van een trust, eveneens als oprichter te beschouwen van een door de trust in het leven geroepen "Tier 2 constructie". Men ontsnapt zo aan de Kaaimantaks, want de trust zelf is immers een "lege doos" geworden en volgens de definitie opgenomen in artikel 2, § 1, 14° WIB 92 is de belastingplichtige geen oprichter van de "Tier 2" rechtspersoon, die opgericht werd door de trust. De specifieke antimisbruikbepaling voor de Kaaimantaks kan dus niet gebruikt worden om rechtshandelingen van een trust te negeren, zoals de zogenaamde dubbelstructuren. Om een dergelijke ontwijking van de Kaaimantaks aan te pakken, zal de administratie dus gebruik moeten maken van de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344, § 1 WIB 92, wat betekent dat de administratie een heus onderzoek moet voeren naar dergelijke dubbelstructuren of deze wel genoeg "substance" hebben om te verantwoorden dat ze niet louter om fiscale redenen werden opgezet. Bij een uitbreiding van die specifieke antimisbruikbepaling heb je een dergelijk onderzoek niet nodig. Dat vergemakkelijkt het werk van de administratie.
1. Gaat u akkoord met deze zienswijze ?
2. Indien nee, waarom dan en kan u verantwoorden op grond van welke wettelijke grondslagen de Kaaimantaks dergelijke dubbelstructuren wél viseert ?
3. Indien ja, plant u dan bijkomende aanpassingen van de Kaaimantaks en welke timing verwacht u hiervoor ?
ANTWOORD
De verschillende behandeling van juridische constructies van het type 1 en van het type 2 voor de specifieke misbruikbepaling bedoeld in artikel 344/1, WIB 92, volgt uit het verschil in definitie van beide types juridische constructies. De type 2 constructies betreffen bepaalde entiteiten met rechtspersoonlijkheid. De juridische constructies van het type 1 zijn echter op een ruimere wijze gedefinieerd. Daarom werd het enkel noodzakelijk geacht om een specifieke misbruikbepaling te voorzien voor de juridische constructies van het type 2. Voor rechtshandelingen gesteld door juridische constructies is reeds een arsenaal aan middelen voorhanden voor de fiscale administratie. Naast de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344, § 1 WIB 92 kan bijvoorbeeld ook simulatie worden aangetoond. De toepasbaarheid van elke van deze bepalingen hangt uiteraard sterk af van de specifieke feiten en omstandigheden van elk geval. Indien uw vraag betrekking heeft op een specifieke constructie, nodig ik u dan ook uit de verdere gegevens hieromtrent te verschaffen, zodat mijn administratie deze constructie kan onderzoeken en een uitgebreider antwoord op uw vraag kan bieden.
