Parlementaire vraag nr. 391 van mevrouw Pieters van 08.06.2000
VRAAG 00/391
Bull. nr. 826, pag. 1453-1457
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 102, blz. 11884-11887
Degressieve afschrijvingen - Opgave 328K
VRAAG
Alle loontrekkers, met inbegrip van de federale en Vlaamse of Waalse lokale ambtenaren hebben inzake personenbelasting overeenkomstig de bepalingen van artikel 49 WIB 1992 onbetwistbaar het recht hun werkelijke beroepsmatige kosten in mindering te brengen van hun belastbare bezoldigingen (zie gecodeerde rubriek nr. 258 van het aangifteformulier). Die beroepskosten omvatten naast autokosten voornamelijk ook "degressieve" afschrijvingen of waardeverminderingen in de zin van de artikelen 52, 6°; 61, eerste lid en 64 WIB 1992 die betrekking hebben op specifiek bureelmeubilair, kantoorinrichtingen of -machines die als magistraat, kaderlid, ambtenaar of onderwijzer thuis uitsluitend beroepsmatig worden aangewend en absoluut niet aan derden worden afgestaan.
Bij nader toezien blijkt evenwel ontegensprekelijk dat inzake personenbelasting - in schril contrast tot de vennootschapsbelasting (zie vak X, 3°, diverse bescheiden) -, het administratief drukwerk nr. 328K tot het bekomen van degressieve afschrijvingen géén integrerend deel uitmaakt van het wettelijk aangifteformulier 276.1 (deel 1). Bij ontbreken van dit louter administratief formulier, door loontrekkers meestal niet verstrekt uit loutere onwetendheid, kan er dan ook geenszins sprake zijn van een fiscaal vormgebrek in de zin van artikel 351, eerste lid, tweede gedachtestreepje, WIB 1992. Bij aandachtige lezing van de toelichtingsbrochure van deel I van het aangifteformulier inzake personenbelasting wordt er bovendien met geen enkel woord gerept noch over het bestaan van de wettelijke mogelijkheid tot degressieve afschrijvingen voor een loontrekkende; noch over het administratief drukwerk 328K.
In de fiscale wetenschap (sinds het arrest"Walgraffe" van het Arbitragehof van 10 juni 1998 is de beslechting van een geschil voortaan een louter "administratieve" handeling) stellen zich in de praktijk de volgende algemene pertinente vragen voor die massa loontrekkers die ter gelegenheid van het indienen van hun aangifte nog geen enkele weet hadden van het voorgestelde formulier 328K.
1. Kan u voor die belangrijke beroepscategorie een soepele en constructieve houding aannemen en algemeen ruim toelaten dat dit gewenst administratief drukwerk 328K nog steeds mag worden ingediend in het om het even welke "administratieve" fase van verificatie van de aangifte en/of in iedere "administratieve " behandeling of onderzoek van een bezwaarschrift ?
2. Bent u akkoord dat aan de goede trouw van die categorie belastingplichtigen nooit kan worden getwijfeld wanneer zij het aanbevolen administratief formulier 328K steeds onmiddellijk verstrekken:
a) op ieder eerste eenvoudig mondeling of schriftelijk verzoek van de administratie of nadat zij hiertoe alle passende uitleg en informatie op een behoorlijke wijze hebben ontvangen,
b) of naderhand zelf spontaan ter gelegenheid van het indienen en/of de behandeling van een zuiver "administratief" bezwaar of verhaal in de zin van artikel 366 WIB 1992?
3. Zullen ten behoeve van die grote groep belastingplichtigen in de nabije toekomst de nodige praktische initiatieven worden getroffen opdat:
a) alle loontrekkers over de "wettelijke" mogelijkheid tot het toepassen van degressieve afschrijvingen passend, beknopt en tijdig zouden worden geïnformeerd in het aangifteformulier (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad) en/of vooral in de begeleidende toelichtingsbrochure van het aangifteformulier nr. 276.1 (deel 1):
b) alle eventuele blijvende niet-akkoorden en hangende geschillen op een billijke en redelijke wijze in het voordeel van de belastingplichtige zouden worden afgehandeld in het kader van vlotte constructieve en rechtstreekse contacten tussen de burgers en de federale fiscale overheid;
c) geldt, gelet op al wat voorafgaat, in geval van discussie over het tijdstip van indienen van het geadviseerd "administratief" formulier nr. 328K steeds het voordeel van de twijfel ten voordele van die fiscaal onvoldoende ingelichte categorie van werknemers als bedoeld in artikel 30, 1°, WIB 1992? Zo neen, om welke gegronde redenen niet?
4. Vermits het hier niet gaat om individuele of concrete gevallen, graag puntsgewijze uw algemene praktische ziens- en handelwijze in het licht van een klantvriendelijk en behoorlijk administratief bestuur en van een actieve en passieve informatie overeenkomstig de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en het Handvest voor de gebruiker van de openbare diensten.
ANTWOORD
De bepalingen van artikel 41 van het koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 1992) stipuleren dat belastingplichtigen die het stelsel van degressieve afschrijvingen kiezen voor tijdens enig belastbaar tijdperk verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, die keuze aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied moeten betekenen binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van nietinwoners over dat tijdperk en dat die betekening bij de aangifte moet worden gevoegd en vergezeld gaan van een opgave voor elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard die tijdens gezegd tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht.
Gezien voormelde reglementaire bepalingen kunnen er dus in principe geen degressieve afschrijvingen op de door loontrekkers verworven activa worden toegestaan indien de betekening niet bij hun aangifte in de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) is gevoegd. Toch biedt de administratie aan de betrokken belastingplichtigen, die degressieve afschrijvingen hebben toegepast met betrekking tot de activa die tijdens het beschouwde jaar zijn verkregen, de mogelijkheid hun keuze te betekenen door middel van een opgave 328K, wanneer in om het even welk stadium van de procedure blijkt dat die afschrijvingen als beroepskosten kunnen worden aanvaard.
In dezelfde gedachtengang mag worden aanvaard dat een voorheen ingediende opgave 328K wordt vervangen of aangevuld.
De inleiding van de toelichting bij deel I van de aangifte in de personenbelasting stelt dat zij enkel tot doel heeft de belastingplichtige bij het invullen van zijn aangifte te helpen en zeker geen aanspraak maakt op volledigheid. Indien de belastingplichtige moeilijkheden mocht ondervinden bij het invullen van de aangifte, kan hij steeds bijkomende inlichtingen vragen bij de bevoegde taxatiedienst.
Bron: FisconetPlus
