Parlementaire vraag nr. 463 van de heer Capoen van 26.07.1993

VRAAG 93/463
Bull. nr. 743, blz. 3069
Roerende voorheffing - Spaarder niet-inwoner - Vastrentend effect - Vrijstelling van de roerende voorheffing
VRAAG
Spaarders niet-verblijfhouders genieten vrijstelling roerende voorheffing met betrekking tot interesten uit kasbons van banken, spaarkassen en OKI's.
Twee voorwaarden dienen hiertoe echter vervuld te zijn.
a) De effecten moeten nominatief zijn gedurende het ganse tijdperk waarop de interesten betrekking hebben (permanente nominativiteit);
b) De permanentievoorwaarde moet vervuld zijn, d.w.z. de belastingplichtige moet gedurende het ganse tijdperk waarop de interesten betrekking hebben eigenaar of vruchtgebruiker geweest zijn van de effecten.
Bovendien kan hiervan geen gebruik gemaakt worden bij de zogenaamde kapitalisatiebons.
Hoe het groeide :
In afwezigheid van specifieke voorwaarden kon de spaarder niet- verblijfhouder eertijds een kasbon aankopen (overkopen) kort vóór de vervaldag. Het innen van de coupon op vervaldag gebeurde netto (dus zonder inhouding van de roerende voorheffing).
Omdat deze praktijken vooral bij kapitalisatiebons werden toegepast, werd een eerste beperking ingevoerd. De vrijstelling roerende voorheffing zou niet meer van toepassing zijn bij de kapitalisatiebons.
Echter, al vlug werd de bewuste (fraude-?)praktijk uitgebreid naar de gewone kasbon. Om ditmaal definitief paal en perk te stellen aan deze omzeilende praktijken werden de twee hogervermelde voorwaarden a en b ingevoerd, met behoud van de beperkende maatregel inzake kapitalisatiebons die men vergat in te trekken.
Beide gestelde voorwaarden a en b zijn uitsluitend en laten o.a. ook geen omzeilende praktijken meer toe met kapitalisatiebons.
Is het dan niet meer wenselijk terug vrijstelling van roerende voorheffing te verlenen aan de spaarders niet-verblijfhouders met betrekking tot kapitalisatiebons en die voldoen aan de voorwaarden a en b ?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid mede te delen dat, naar aanleiding van zijn parlementaire vraag nr. 187 van 17 november 1992, een grondig onderzoek werd ingesteld om uit te maken in welke mate de bepalingen van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden gewijzigd.
Dit onderzoek zal eerstdaags worden afgesloten, waarna ik een antwoord zal verstrekken op de gestelde vragen.