Parlementaire vraag nr. 1977 van de heer Vincent Van Quickenborne van 26.03.2024

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2023-2024, QRVA 55/134 d.d. 24.05.2024, blz. 245

Verwerking financieringskostensurplus in geval van belastingvrije splitsing en fusering (MV 41799C).

VRAAG (van de heer Van Quickenborne)

Deze vraag betreft de toepassing van de regelgeving van het zogenaamde "financieringskostensurplus", als vermeld in artikel 198/1 WIB.

Door toepassing van deze regel is het mogelijk dat een deel van het financieringskostensurplus als een verworpen uitgave dient behandeld te worden.

Luidens artikel 194sexies WIB kan de belastbare winst onder voorwaarden vrijgesteld worden met het financieringskostensurplus dat in een van de voorgaande belastbare tijdperken niet als beroepskost werd aangemerkt.

Indien de vennootschap die een financieringskostensurplus heeft dat in een van de voorgaande belastbare tijdperken niet als beroepskost werd aangemerkt,

1. belastingvrij wordt gesplitst, hoe dient het bedrag van dit overgedragen financieringskostensurplus dan verdeeld te worden;

2. belastingvrij fuseert, dient er dan enige beperking te worden toegepast op dit overgedragen financieringskosten-surplus?

ANTWOORD (van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding)

Voor het antwoord op de door u gestelde vragen kan ik ook verwijzen naar de circulaire 2023/C/8 van 12 januari 2023 over de interestaftrekbeperking die u kan raadplegen in de fiscale gegevensbank Fisconetplus.

Daarin staat onder meer vermeld dat in het geval van een belastingneutrale herstructureringsverrichting het in één van de voorgaande belastbare tijdperken niet als beroeps-kost aangemerkte financieringskostensurplus die bij de overnemende of verkrijgende vennootschappen met betrekking tot de bij hen ingebrachte bestanddelen in aanmerking wordt genomen, wordt bepaald alsof die verrichting niet had plaatsgevonden.

Er is geen beperking voorzien van het naar aanleiding van die verrichting overgedragen gedeelte.

Wanneer de schulden en vorderingen, waarvan de kosten en opbrengsten in aanmerking komen voor de berekening van het financieringskostensurplus, naar aanleiding van een (partiële) splitsing terug te vinden zijn bij de verschillende bij die verrichting betrokken vennootschappen waarbij het financieringskostensurplus niet specifiek kan worden gelinkt aan bepaalde schulden of vorderingen, kan het over te dragen financieringskostensurplus worden verdeeld in verhouding tot de fiscale nettowaarde van de ingebrachte bestanddelen.