Parlementaire vraag nr. 1160 van de heer Olivier van 04.07.1994
VRAAG 94/1160
Vraag nr. 1160 van de heer Olivier dd. 04.07.1994
Bull. nr. 748, pag. 1071
Splitsing - Rechtmatige behoeften - Antimisbruikbepaling
Artikel 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 stelt als voorwaarde voor een belastingvrije fusie of splitsing dat de verrichting moet beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften. De antimisbruikbepaling van artikel 344, § 1 geeft nogal wat aanleiding tot rechtsonzekerheid. Wat moet immers worden verstaan onder "rechtmatige economische of financiële behoeften" ?
Zo was het bij KMO's tot voor kort gebruikelijk om met het oog op een familiale regeling tussen ouders en kinderen een splitsing door te voeren. Daardoor werden de onroerende goederen met eventueel een deel van de financiële activa ingebracht in een vennootschap A en de installaties en andere activa (vorderingen en voorraden) in een vennootschap B. De aandelen van vennootschap A werden dan bij verdeling of schenking toegewezen aan de kinderen die niet actief waren in de exploitatie en de aandelen van vennootschap B werden eigendom van de in de vennootschap werkende kinderen.
Die splitsing liet toe dat de ouders hun bezit konden verdelen, dat de niet in het bedrijf werkende kinderen geen bedrijfsrisico liepen en een rechtmatig en eerlijk aandeel verkregen; dat de actieve kinderen de risico's van hun beleid alleen droegen en de voordelen van hun eventuele expansie voor zich hielden zonder dat zij in het voordeel van de andere kinderen werkten.
De bij wet opgerichte rulingcommissie, in werking sedert 1 oktober 1990, is van oordeel dat die splitsing niet beantwoordt aan rechtmatige financiële en economische behoeften.
Het is duidelijk dat dit moet leiden tot afremming van de expansie van de familiale KMO of tot verkoop van de onderneming. Dit is totaal in tegenstrijd met de principes van verankering en het geloof dat de bestrijding van de werkloosheid in hoofdzaak afhangt van de evolutie van de KMO.
1. Beantwoordt een dergelijke splitsing inderdaad niet aan rechtmatige financiële en economische behoeften ?
2. Zo ja, is dit geen belangrijke rem op de uitbouw en groei van de familiale KMO ?
ANTWOORD
De door de Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden vermelde motieven om geen voorafgaand akkoord te geven inzake sommige verrichtingen van het soort waarnaar het geacht lid verwijst, lijken me niet onredelijk.
Ik vestig de aandacht op het feit dat de weigering van een akkoord vanwege de Commissie noch de belastingplichtige bindt, noch - in voorkomend geval - de aanslagambtenaar. Inderdaad, ingevolge de wet heeft alleen een akkoord juridische gevolgen.
Vraag nr. 1160 van de heer Olivier dd. 04.07.1994
Bull. nr. 748, pag. 1071
Splitsing - Rechtmatige behoeften - Antimisbruikbepaling
Artikel 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 stelt als voorwaarde voor een belastingvrije fusie of splitsing dat de verrichting moet beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften. De antimisbruikbepaling van artikel 344, § 1 geeft nogal wat aanleiding tot rechtsonzekerheid. Wat moet immers worden verstaan onder "rechtmatige economische of financiële behoeften" ?
Zo was het bij KMO's tot voor kort gebruikelijk om met het oog op een familiale regeling tussen ouders en kinderen een splitsing door te voeren. Daardoor werden de onroerende goederen met eventueel een deel van de financiële activa ingebracht in een vennootschap A en de installaties en andere activa (vorderingen en voorraden) in een vennootschap B. De aandelen van vennootschap A werden dan bij verdeling of schenking toegewezen aan de kinderen die niet actief waren in de exploitatie en de aandelen van vennootschap B werden eigendom van de in de vennootschap werkende kinderen.
Die splitsing liet toe dat de ouders hun bezit konden verdelen, dat de niet in het bedrijf werkende kinderen geen bedrijfsrisico liepen en een rechtmatig en eerlijk aandeel verkregen; dat de actieve kinderen de risico's van hun beleid alleen droegen en de voordelen van hun eventuele expansie voor zich hielden zonder dat zij in het voordeel van de andere kinderen werkten.
De bij wet opgerichte rulingcommissie, in werking sedert 1 oktober 1990, is van oordeel dat die splitsing niet beantwoordt aan rechtmatige financiële en economische behoeften.
Het is duidelijk dat dit moet leiden tot afremming van de expansie van de familiale KMO of tot verkoop van de onderneming. Dit is totaal in tegenstrijd met de principes van verankering en het geloof dat de bestrijding van de werkloosheid in hoofdzaak afhangt van de evolutie van de KMO.
1. Beantwoordt een dergelijke splitsing inderdaad niet aan rechtmatige financiële en economische behoeften ?
2. Zo ja, is dit geen belangrijke rem op de uitbouw en groei van de familiale KMO ?
ANTWOORD
De door de Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden vermelde motieven om geen voorafgaand akkoord te geven inzake sommige verrichtingen van het soort waarnaar het geacht lid verwijst, lijken me niet onredelijk.
Ik vestig de aandacht op het feit dat de weigering van een akkoord vanwege de Commissie noch de belastingplichtige bindt, noch - in voorkomend geval - de aanslagambtenaar. Inderdaad, ingevolge de wet heeft alleen een akkoord juridische gevolgen.
Bron: FisconetPlus
