Parlementaire vraag nr. 996 van de heer Didden van 28.07.1997

VRAAG 97/996

Vraag nr. 996 van de heer Didden dd. 28.07.1997


Bull. nr. 788, pag. 2743

Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 142, blz. 19542-19544

Behoorlijk bestuur.

VRAAG

Op mijn vraag nr. 789 van 26 februari 1997 antwoordde u "geen enkele wetsbepaling verplicht de taxatieambtenaar evenwel de opmerkingen te beantwoorden die de belastingplichtige in antwoord op bericht van wijziging van zijn aangifte heeft geformuleerd, noch de belastingplichtige een nieuw bericht van wijziging toe te zenden wanneer hij de voormelde opmerkingen gedeeltelijk aanvaardt. Het niet-antwoorden van de taxatieambtenaar op die opmerkingen kan derhalve geenszins de nietigheid van de erop volgende aanslag tot gevolg hebben daar er in dit geval geen sprake is van een schending van een procedureregel." (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1996-1997, nr. 90, blz. 12350).

Dit antwoord roept bijkomende vragen op:

1. Leidt de toepassing van het fiscaal adagium "in dubio contra fiscum" (zie hierover uw nota aan de Kamer in het verslag over het wetsontwerp houdende fiscale en financiële bepalingen, Gedr. St., Kamer, nr. 1072/8-92/93, blz. 93.1) niet tot het besluit dat de belastingambtenaar moet antwoorden en dat de aanslag, wanneer hij dit niet doet, nietig is?

2. Quid met de beginselen van behoorlijk bestuur, die ook voor de fiscale administratie gelden en onder meer het recht op rechtszekerheid omvatten ("De burger moet kunnen vertrouwen op de regels die voor hem vaste gedrags- of beleidsregels van de overheid schijnen te zijn. De overheid moet de door haar zelf opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger respecteren.")?

3. Quid met het adagium "fiscus heeft geen rechten, belastingplichtige geen plichten"? Onze fiscus heeft zelfs een niet-geschreven plicht, de plicht van zorgvuldigheid, die hij moet naleven in al zijn betrekkingen met de belastingplichtige.

4. Het antwoord vermeldt ook: "Niettemin kan worden opgemerkt dat de administratieve onderrichtingen aanbevelen om, wanneer belangrijke meningsverschillen blijven bestaan, de betrokken belastingplichtige in de vorm van een gewone brief kennis te geven van de mate waarin met de door hem gedane opmerkingen rekening wordt gehouden. In elk geval moet het belastingdossier de nodige verantwoording bevatten waaruit blijkt waarom bij het vestigen van de aanslag met de opmerkingen van de belastingplichtige geen of slechts gedeeltelijk rekening wordt gehouden." Hoe kan een belastingambtenaar een geldig gemotiveerde aanslag vestigen indien hij op de opmerkingen van de belastingplichtige niet geantwoord werd?

5. Belastingplichtigen en boekhouders klagen er vaak over dat de belastingcontroleurs bij het indienen van hun antwoorden opmerken dat zij op deze aanmerkingen niet zullen antwoorden, aangezien de inspecteur akkoord gaat met hun bericht van wijziging. Ze geven hen meteen de raad om dan maar bezwaar aan te tekenen. Hoe is dit te rijmen met de vereiste objectiviteit en klantvriendelijkheid van de administratie?


6.


a) Welke schadevergoeding kan de belastingplichtige eisen indien hij in de daarop volgende procedure geheel of gedeeltelijk gelijk krijgt?

b) Zijn er sancties voor onbeleefde en arrogante ambtenaren?

ANTWOORD

1 en 4. De administratie meent dat er geen enkele reden is om de interpretatie van artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals uiteengezet in het antwoord op de vraag nr. 789 van 26 februari 1997 van het geacht lid in twijfel te trekken. (Vragen en Antwoorden, Kamer, 19961997, nr. 90, blz. 12350.)

2, 3 en 5. De administratie onderschrijft de algemene principes van behoorlijk bestuur en klantvriendelijkheid volledig.

In die optiek wordt in de administratieve onderrichtingen aanbevolen om bij blijvende belangrijke meningsverschillen de betrokken belastingplichtige per gewone brief in kennis te stellen van de mate waarin met de door hem gedane opmerkingen rekening werd gehouden.

De in vraag 5 aangehaalde praktijken lijken evenwel niet te stroken met de voormelde regels. Indien het geacht lid een welbepaald geval beoogt, zal ik niet nalaten een onderzoek te doen instellen en, waar nodig, de passende sancties te doen treffen.


6.


a) Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling onttrekt de uitvoerende macht, in de uitoefening van haar opdrachten, aan de bij de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verplichting.

Gelet op de evolutie in de cassatierechtspraak kan worden gesteld dat de administratieve overheid onder dezelfde voorwaarden als de particulier aan de aansprakelijkheid van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek is onderworpen.

De belastingplichtige kan bijgevolg schadevergoeding eisen voor de burgerlijke rechtbank indien hij bewijst dat aan alle voorwaarden van de artikelen 1382 en 1383 is voldaan, te weten, schade, fout, en causaal verband tussen de schade en de fout.

Het feit dat de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk gelijk krijgt in de bezwaarprocedure of de procedure van beroep betekent nog niet dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan.

b) In alle gevallen waarin de administratie kennis heeft van feiten waaruit blijkt dat ambtenaren zich ten overstaan van belastingplichtigen onbeleefd, onheus of arrogant hebben gedragen, wordt met de meeste gestrengheid opgetreden. De sancties die hierbij worden getroffen gaan van het maken van strenge, schriftelijke opmerkingen, het inschrijven van vastgestelde ongunstige feiten op de individuele fiche tot het opleggen van één van de in het statuut van het rijkspersoneel opgenomen straffen.