Parlementaire vraag nr. 340 van de heer Benoît Dispa van 13.05.2015
Parlementaire vraag nr. 340 van de heer Benoît Dispa dd. 13.05.2015
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/031 dd. 29.06.2015, blz. 47
Belastingaftrek voor enige en eigen woning
VRAAG (van de heer Dispa)
Ingevolge de zesde staatshervorming onderging de belastingaftrek voor enige en eigen woning heel wat wijzigingen. Een en ander geeft aanleiding tot interpretatieproblemen.
1. De interpretatie van de term "enige" op het moment van de aankoop kan in de praktijk tot onbillijke situaties leiden. Klopt het dat bij de huidige stand van de wetgeving de volgende situaties kunnen ontstaan: a) het geval van een belastingplichtige die een eerste onroerend goed heeft gekocht in mede-eigendom met een aandeel van 10 procent en wellicht niet meer voor de belastingaftrek voor enige en eigen woning in aanmerking kan komen voor een volledig eigen woning die hij later koopt en zelf effectief zal betrekken; of b) het geval van een belastingplichtige die een eerste onroerend goed koopt waarvoor hij de belastingaftrek voor enige en eigen woning geniet en die later tien andere onroerende goederen kan kopen terwijl hij nog altijd de bovenvermelde belastingaftrek geniet voor de aankoop van zijn eerste onroerend goed?
2. Zou elke belastingplichtige niet zo een belastingaftrek moeten kunnen genieten voor ten minste één onroerend goed dat gebruikt moet worden als enige en eigen woning die hij effectief zelf bewoont?
3. Moet de term "enige" niet worden geherinterpreteerd in de zin dat de belastingplichtige uitsluitend voor de belastingaftrek in aanmerking kan komen voor de enige woning die hij zelf effectief bewoont en niet voor de enige woning op het moment van de aankoop?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
Vooreerst is het van belang om op te merken dat de voorwaarde inzake de enige woning (die wordt opgelegd in het kader van de "gewestelijke belastingvermindering voor de enige woning", beoogd in artikel 145^37, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en eventueel van de "federale belastingvermindering voor de enige woning", beoogd in artikel 104, 9°, WIB 92 zoals het nog bestaat via artikel 539, § 1, tweede lid, WIB 92) moet worden beoordeeld op 31 december van het jaar waarin de leningsovereenkomst is afgesloten en niet op het ogenblik van de aankoop. Daarenboven is die op 31 december van het jaar van afsluiting van de leningsovereenkomst te beoordelen voorwaarde niet nieuw aangezien ze reeds bestond in het oude stelsel van de aftrek voor enige woning dat in principe van toepassing was op vanaf 1 januari 2005 gesloten hypothecaire leningen. Dit gezegd zijnde, vindt het geachte lid hierna het antwoord op zijn vragen. 1. a) Het antwoord luidt bevestigend indien de belastingplichtige op 31 december van het jaar van afsluiten van de hypothecaire leningsovereenkomst naast de daarmee verband houdende woning die hij op die datum betrekt, mede-eigenaar is van een andere woning die hij heeft verkregen op een andere manier dan ingevolge erfenis. b) Het antwoord luidt bevestigend als de voorwaarde inzake de enige woning is vervuld op 31 december van het jaar van afsluiten van de hypothecaire leningsovereenkomst die verband houdt met de woning die de belastingplichtige op die datum betrekt. Vanzelfsprekend worden de verhogingen die zijn beoogd hetzij in artikel 145^37, § 2, tweede en derde lid, WIB 92, hetzij in artikel 116, WIB 92 zoals het nog bestaat via artikel 539, § 1, tweede lid, WIB 92, niet meer toegepast vanaf het eerste belastbaar tijdperk waarin de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker wordt van een of meerdere andere woningen.
2. Wat betreft de "federale belastingvermindering voor de enige woning", is een aanpassing van het stelsel niet gerechtvaardigd aangezien deze vermindering enkel kan worden gevraagd wanneer de hypothecaire lening werd afgesloten vóór 1 januari 2014 (het betreft een overgangsmaatregel), voor uitgaven die, op het ogenblik dat ze worden gedaan, geen betrekking hebben op de eigen woning. Wat betreft de "gewestelijke belastingvermindering voor de enige woning", kan ik het geachte lid enkel doorverwijzen naar de Gewesten, aangezien zij inmiddels een exclusieve bevoegdheid hebben om het stelsel ervan te wijzigen.
3. Rekening houdend met de huidige stand van de wetgeving, is het antwoord negatief.
