Parlementaire vraag nr. 1458 van mevrouw Pieters van 09.11.2006
Parlementaire vraag nr. 1458 van mevrouw Pieters dd. 09.11.2006
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 162, blz. 31595 - 31598
Interne pensioenvoorzieningen
VRAAG
Niet alleen uit recente rechtspraak maar ook uit het antwoord op de vraag nr. 1192 van 19 januari 1998 van de heer Desimpel ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997-1998, nr. 127, blz. 17588) blijkt dat zowel de belastingadministraties als de diensten van Economische Zaken er voortaan mee instemmen dat vennootschappen een "interne pensioenvoorziening" aanleggen om de contractuele pensioenbeloftes en -toezeggingen aan hun bedrijfsleiders en hun erfgenamen of rechthebbenden waar te maken ter gelegenheid van hun wettelijke of vervroegde pensionering of hun vroegtijdig overlijden.
Ter zake rijzen nog steeds de volgende algemene praktische vragen.
1. Kan of mag een rechtspersoon - ongeacht het feit of de begunstigden al dan niet reeds een wettelijk pensioen als zelfstandige of als werknemer hebben aangevraagd en genieten - zowel op boekhoudkundig als op fiscaal vlak een (belastingvrije) interne pensioenvoorziening aanleggen voor het voldoen aan de contractuele pensioenbeloftes of -toezeggingen ten voordele van zelfstandige bedrijfsleiders die na de wettelijk pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar voor mannen en 64 jaar voor vrouwen ( cf. overgangsregeling geldig in 2006) zonder meer nog steeds verder blijven werken tot op datum van overlijden of tot aan een niet nader te bepalen datum van definitief ontslag als statutair bestuurder of zaakvoerder?
2. Is zulke interne voorziening eveneens toegelaten zelfs wanneer het voordeel op occasionele en nietsystematische wijze wordt toegekend, wat het geval is wanneer het voordeel wordt toegekend aan een welbepaalde persoon, om persoonsgebonden redenen, en niet aan de personeelscategorie waartoe deze persoon behoort ( Vragen en Antwoorden, Senaat, 1995-1996, nr. 1-24 van 23 juli 1996, blz. 1191-1192)?
3. In welke gehele of beperkte mate mag of moet er daarbij ook algemeen rekening worden gehouden met inhaalbijdragen, back-services en met future-services?
4. a) Op grond van welke wettelijke of reglementaire bepalingen en hoe moet in bevestigend geval de zogenaamde fiscale 80%-grens worden becijferd wanneer er geen specifieke einddatum in het vooruitzicht kan worden gesteld of met andere woorden welke concrete parameters, omzettingscoëfficie ¨nten en/of reglementaire berekeningsformules moeten er in zulk geval worden gehanteerd?
b) Hoe moet specifiek het aantal nog te presteren jaren (N) vanaf het aangaan van de pensioenovereenkomst tot aan de normale pensioenleeftijd in zulk geval redelijkerwijze worden vastgesteld (zie bij analogie Com.IB.1992 nr. 59/41)?
5. a) Welke gebeurlijke invloed hebben die contractuele pensioenbeloftes en -toezeggingen respectievelijk op de latere toekenning van het later toch nog aangevraagde wettelijke rust- of overlevingspensioen waarvan sprake in het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en op de toekenning van een staatspensioen?
b) Welke beperkingen worden er eventueel ingesteld en welke wettelijke en extrawettelijke pensioencumulaties zijn thans nog toegelaten?
6. a) Op welke concrete wijze moet de "actuele" waarde van dergelijke interne pensioenvoorzieningen jaarlijks worden be- en herrekend en welke specifieke wettelijke of reglementaire parameters of financieringsmethodes moeten er daarbij gehanteerd worden?
b) Zijn of kunnen er op de portaalsites van de FOD Financiën, de FOD Economie en de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) daartoe weldra algemene berekeningsmodules of spreadsheets worden geplaatst waarop op anonieme doch betrouwbare en heldere wijze over het ganse rijk uniforme berekeningen zowel van de 80%-regel als van de "actuele waarde" kunnen worden uitgevoerd? Tot nu toe werkt iedere belastingambtenaar immers volledig op eigen houtje en bestaan er blijkbaar geen nationale directieven of geautomatiseerde algemene berekeningsprogramma's of rekenbladen.
7. Binnen welke termijnen en op grond van welke wettelijke of reglementaire beschikkingen is de vennootschap ter fiscale verantwoording thans nog verplicht welbepaalde attesten, opgaven en informatiefiches aan de belastingdiensten op straffe van verval of nietigheid tijdig in te dienen, te verbeteren en/of aan te vullen?
8. Op welke wijze moet de aanleg van een interne pensioenvoorziening in de jaarrekening eventueel worden toegelicht?
9. Welke fiscale en/of sociale bijdragen of extra parafiscale heffingen of tarieven zijn thans verschuldigd op het ogenblik van de uitkering van het pensioenkapitaal?
10. Kunt u punt per punt uw huidige algemene en uniforme zienswijze, handelwijze en berekeningswijze meedelen onder meer in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen van de artikelen 25, 5de; 52, 5°; 48; 59; 60; 171, 4de, g); 195 en 515 quater en quinquies WIB 1992, de reglementeringen voorgeschreven door de Europese Commissie, de wet op de jaarrekeningen en adviezen van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967, het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 en van de pensioenwetgeving van ambtenaren als in het kader van de administratieve vereenvoudiging?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 12.04.2007)
Ik wil het geachte lid erop wijzen dat haar vragen over het stelsel van de wettelijke of extra-wettelijke pensioenen als dusdanig niet tot mijn bevoegdheid behoren.
Een voorziening kan overeenkomstig artikel 48 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) worden aangelegd in vrijstelling van belasting, wanneer het aanvullend pensioen waarop de voorziening betrekking heeft, wordt toegekend met naleving van de wettelijke bepalingen ter zake. Het bedrag van de voorziening dat fiscaal kan worden aanvaard, wordt bepaald in functie van parameters die eigen zijn aan elke pensioentoezegging. Het bedrag van de voorziening, dat moet worden gespreid in functie van het reeds verstreken en het nog resterend gedeelte van de beroepsloopbaan en dat moet worden geactualiseerd, moet voor elk belastbaar tijdperk worden bepaald rekening houdend met de evolutie van die parameters. In ieder geval is het aftrekbaar gedeelte van de voorziening evenredig met het gedeelte van de pensioentoezegging dat de aard heeft van beroepskosten, en dit rekening houdend in het bijzonder met de bepalingen van de artikelen 49, 52°, 5°, 53, 10°, 59, 60 en 195, WIB 1992.
Overigens heb ik mijn administratie de opdracht gegeven een circulaire op te stellen met betrekking tot de voorzieningen voor aanvullende pensioenen.
