Parlementaire vraag nr. 1419 van mevrouw Pieters van 28.09.2006
VRAAG 06/1419
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 149, blz. 28883-28884
Ambtshalve aanslag - Willekeur - Nietigheid
VRAAG
Overeenkomstig de beschikkingen van artikel 351, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen belastingadministraties in vijf welbepaalde gevallen een ambtshalve aanslag vestigen.
Ter zake rijzen thans de volgende algemene praktische vragen.
1. Is dit voor de taxatieambtenaren voortaan in elk van die vijf gevallen een wettelijke verplichting ?
2. Welke soepele, billijke en breeddenkende houding moeten de administraties aannemen wanneer boeken, bescheiden en registers niet werden overgelegd in de zin van artikel 315 WIB 1992 of wanneer de bij artikel 316 WIB 1992 gestelde schriftelijke vragen niet tijdig en volledig werden en zelfs konden worden verstrekt, zoals bijvoorbeeld het vragen van afrekeningen voor het tanken van brandstof en een exemplaar van de slechts in enkelvoud opgestelde en aan de banken ter uitvoering afgegeven manuele betalingsopdracht?
3.
a) Zijn de belastingadministraties van oordeel dat er in alle voornoemde gevallen en voorbeelden steeds gebruik «moet» worden gemaakt van die ambtshalve procedure zodat de bewijslast daarenboven meteen wordt omgekeerd en gemakshalve volledig op de schouders van de belastingplichtige wordt gelegd (
cf. artikel 352 WIB 1992) ?
b) Kan of moet een ambtshalve aanslag worden gevestigd om reden van gedeeltelijk onbeantwoorde overijverige vraagstellingen en/of omwille van onvolledige of beknopte antwoorden op onmogelijke vragen over onbenullige bedragen en zaken die door de belastingplichtigen veeleer worden aangevoeld als onbehoorlijk of zelfs als pure plagerijen ?
c) Moeten dergelijke ambtshalve aanslagen als onbehoorlijk en willekeurig worden bestempeld en daardoor in fase van bezwaar geheel nietig worden verklaard en zo neen, waarom telkens niet ?
4. Is de administratie van oordeel dat de onderzoekende ambtenaren:
a) steeds met het nodige doorzicht en met gezond economisch verstand moeten handelen;
b) er zorg moeten voor dragen slechts een goed overwogen en gematigd gebruik te maken van de hen verleende bevoegdheid (zie :
Parl. st., Senaat, 1961- 1962, nr. 366, blz. 292);
c) dat het niet aanvaardbaar is dat ze zulke overtollige of onmogelijke opzoekingen en zoveel administratief werk zouden vragen dat ze voor de belastingplichtige ongehoord tijdverlies en hoge kosten zouden meebrengen (zie:
Parlementaire handelingen, Kamer, 15 juni 1962, blz. 85);
d) een negatief en/of een onmogelijk bewijs mogen of moeten eisen;
e) zo'n willekeurige en/of nietige ambtshalve aanslagen mogen teweegbrengen?
5. Kunt u punt per punt uw huidige «algemene» ziens- en handelwijze en administratieve commentaar meedelen zowel in het licht van de beschikkingen van de artikelen 49, 318 en 351 tot 352bis WIB 1992 als in het kader van zowel een performant en behoorlijk fiscaal bestuur en van de in de financiële pers door de voorzitter van het Directiecomité van de FOD Financiën gepropageerde nieuwe fiscale en klantvriendelijke Coperfinbestuurscultuur ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 08.01.2007)
In de vijf gevallen bepaald in artikel 351, eerste lid van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) kan de administratie de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt.
De aanslag van ambtswege is facultatief en niet verplicht. De administratie zal in principe telkens wanneer de voorwaarden daartoe zijn vervuld overgaan tot de vestiging van een ambtshalve aanslag. Of die in artikel 351, eerste lid, WIB 1992 bepaalde voorwaarden zijn vervuld, dient geval per geval te worden beoordeeld. Uiteraard dient er steeds een weloverwogen gebruik te worden gemaakt van de aan de administratie toegekende onderzoeks- en controlerechten.
Bron: FisconetPlus
