Parlementaire vraag nr. 419 van de heer Josy Arens van 21.04.2009

Parlementaire vraag nr. 419 van de heer Josy Arens dd. 21.04.2009

Personenbelasting

Vereniging

Vereniging zonder winstoogmerk

Feitelijke vereniging

Vergoeding voor vrijwilligerswerk

Sportclub

VRAAG

Enige tijd geleden werd er een nieuwe cel opgericht bij de FOD Financiën te Marche. Ambtenaren controleren de boekhouding van de vzw's en feitelijke verenigingen. Ze gaan alle betalingen aan trainers na alsook alle "vergoedingen" die als reiskosten worden betaald aan spelers en vrijwilligers die een vergoeding ontvangen voor aan de club verleende diensten.

Een sportclub moet jongeren opleiden met competent personeel zodat ze een zo hoog mogelijk niveau bereiken. De vergoeding voor vrijwilligerswerk is echter beperkt tot ongeveer 1.160 euro per jaar. Hoeveel sportclubs (voetbal, basketbal, volleybal, enz.) betalen hun trainer(s) minder dan dat tarief? Heel weinig, denk ik, en dan heb ik het nog niet gehad over de premies per gewonnen wedstrijd of punten in het klassement. De meeste clubs dienen vaak als een soort "kinderopvang" voor jongeren die die een sport beoefenen, welke sport ook. Vrijwilligerswerk is al jaren een achterhaalde werkwijze: met dergelijke controles wordt het binnenkort onmogelijk om gediplomeerde trainers te vinden die jongeren, maar ook van volwassen sportbeoefenaars, willen begeleiden.

1. Hoeveel sportclubs werden er in 2008 gecontroleerd?

2. Waarom heeft de belastingadministratie zo veel belangstelling voor de kleine sportclubs?

3. Kan u die controles uitsplitsen per sporttak en per provincie?

4. Kan het niet-belastbare maximumbedrag voor trainers niet worden opgetrokken?

ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)

Vraag 1. en 3. De Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit houdt geen statistieken bij die de mededeling van de gevraagde cijferelementen toelaat.

Vraag 2. Alle belastingplichtigen worden gecontroleerd volgens de algemeen geldende richtlijnen welke voorschrijven dat de dossiers evenwichtig dienen te worden geselecteerd naar opportuniteit en aard. Momenteel zijn er geen specifieke controles van "kleine sportclubs".

Vraag 4. Het is van belang om een onderscheid te maken tussen twee zaken, enerzijds de vergoedingen die worden toegekend aan bepaalde vrijwilligers en die de terugbetaling vertegenwoordigen van kosten (verplaatsing, maaltijden, telefoonkosten, enzovoort) en anderzijds de vergoedingen betaald aan sportbeoefenaars, trainers, opleiders en begeleiders en die in principe belastbare beroepsinkomsten uitmaken.

Het belastingstelsel van de vergoedingen voor vrijwilligerswerk wordt uiteengezet in de circulaire 5 maart 1999, Ci.RH.241/509.803. In die circulaire worden onder meer de activiteiten omschreven die voor toepassing van het beoogde belastingstelsel in aanmerking komen. Het betreft in casu gelegenheidswerk dat moet worden verricht in het kader van sociale, culturele of sportieve activiteiten van de club, federatie, vereniging, instelling of overheid. In het bijzonder zijn bedoeld, de organisatie van sportwedstrijden en van sociale en culturele evenementen, alsmede het deelnemen aan die wedstrijden en evenementen. In dit kader geven sommige vergoedingen geen aanleiding tot belastingheffing, omdat zij de terugbetaling vertegenwoordigen van kosten die de verkrijgers doen in het kader van een of andere activiteit die als vrijetijdsbesteding kan worden beschouwd, zodat er geen sprake kan zijn van beroepsinkomsten. Het gaat hier om eerder geringe vergoedingen die worden toegekend aan amateursporters, deelnemers aan evenementen en medewerkers die zich op louter onbaatzuchtige wijze inzetten voor hun club, federatie, vereniging, instelling of ten dienste van de gemeenschap en die uitsluitend de terugbetaling vertegenwoordigen van een gedeelte of zelfs het geheel van de kosten die zij doen in het kader van hun vrijwilligerswerk. Die vergoedingen kunnen als niet belastbaar worden aangemerkt indien zij uitsluitend de terugbetaling van werkelijke kosten vertegenwoordigen, hetgeen impliceert dat zij niet abnormaal hoog zijn en dus geen verdoken bezoldigingen voor geleverde prestaties bevatten. In dat verband mag worden aangenomen dat de vergoedingen werkelijke kosten dekken en derhalve niet belastbaar zijn, wanneer zij per verkrijger niet meer bedragen dan 24,79 EUR per dag (geïndexeerd bedrag van 30,22 EUR voor vergoedingen betaald vanaf 1 januari 2009) en 991,57 EUR per jaar (geïndexeerd bedrag van 1.208,72 EUR per jaar voor vergoedingen betaald vanaf 1 januari 2009).

Wanneer één van deze forfaitaire bedragen in een bepaald belastbaar tijdperk wordt overschreden, moeten alle inkomsten die voor hetzelfde belastbare tijdperk voortvloeien uit het vrijwilligerswerk, integraal als belastbare inkomsten worden aangemerkt.

In dat geval kunnen die vergoedingen alleen van belasting worden vrijgesteld als terugbetaling van eigen kosten van de club, federatie, vereniging, instelling of overheid, mits het volgend dubbel bewijs wordt geleverd; namelijk dat :

- de vergoeding bestemd is tot het dekken van kosten die eigen zijn aan de club, federatie, vereniging, instelling of overheid;

- die vergoeding ook daadwerkelijk aan dergelijke kosten is besteed.

Behalve de jaarlijkse indexering, is het momenteel niet de bedoeling om de hierboven vermelde maximumbedragen per dag en per jaar te wijzigen.

Desondanks wil ik de aandacht van het geachte Lid trekken op de bepalingen van de Wet van 4 mei 2007 betreffende het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaars (Belgisch staatsblad, 15 mei 2007) die voorziet in een belastingstelsel dat interessant is voor de sportsector. Zo worden de sommen betaald aan trainers voor hun opleidende activiteiten en die belastbare beroepsinkomsten uitmaken, onderworpen aan het afzonderlijk tarief van 33 % (art. 171, 1°, i, Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan het totaal brutobelastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal brutobelastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit hun voornoemde activiteit als trainer. Deze wet heeft onder andere als doel de vorming van jonge sportbeoefenaars te stimuleren door middel van verlening van een vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Inderdaad, teneinde de clubs tot investeringen in de opleiding van hun spelers aan te zetten, ter ondersteuning van hun financiële toestand en ter compensatie van de toename van hun loonkosten, genieten zij van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van 80 % op basis van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen betaald of uitgekeerd, enerzijds aan sportbeoefenaars jonger dan 26 jaar, en anderzijds aan sportbeoefenaars van minstens 26 jaar op voorwaarde dat de helft van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars van minstens 12 jaar en die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd. De bovengenoemde bepalingen moeten de clubs in staat stellen om zonder veel moeilijkheden de kosten te financieren van gekwalificeerde trainers voor de opleiding van jonge sportbeoefenaars waarbij deze trainers kunnen genieten van een gunstig belastingstelsel.