Parlementaire vraag nr. 317 van de heer Peter Dedecker van 29.04.2015
Parlementaire vraag nr. 317 van de heer Peter Dedecker dd. 29.04.2015
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/036 dd. 03.08.2015, blz. 73
Steunmaatregelen voor onderzoek en technologische ontwikkeling
VRAAG (van de heer Dedecker)
Een belangrijke fiscale steunmaatregel voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling is de gedeeltelijke vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers. De vrijstelling wordt door sommige bedrijven als subsidie ingeboekt en niet als een kostenvermindering. Deze foutieve inboeking heeft nadelige gevolgen voor ons land in het kader van het behalen van de 3%-norm.
1. Welk percentage van de ondernemingen die de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing gebruiken, verwerkt deze ook boekhoudkundig correct?
2. a) Hoeveel firma's doen er beroep op deze regeling?
b) Hoeveel onder hen betreffen "Young Innovative Companies" (kleine vennootschappen in de zin van artikel 15, § 1 van het Wetboek van Vennootschappen, die aan een aantal bijkomende voorwaarden moeten voldoen)?
c) Hoeveel onder hen zijn jonger dan drie jaar?
d) Hoe verhoudt dit aantal zich tot het gebruik van de regeling bij universiteiten en hogescholen?
3. a) Wat is het aantal gevallen waarbij de fiscus een beroep deed op advies van Belspo?
b) In hoeveel gevallen volgde de fiscus daarbij het advies van Belspo niet?
4. a) Wat is het aantal gevallen waarbij een onderneming een advies van Belspo gebruikte in onderhandelingen met de fiscus?
b) In hoeveel gevallen daarvan volgde de fiscus ook dit advies niet?
5. a) Van de ondernemingen die gebruik maken van de vrijstelling bedrijfsvoorheffing, wat is het aandeel van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting?
b) Wat is het aandeel van rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. De fiscale administratie houdt geen gedetailleerde statistieken bij van de ondernemingen die al dan niet een correcte invulling van hun belastingaangifte hebben gedaan op vlak van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Het spreekt echter voor zich dat bij fiscale controles ondermeer gelet wordt op de correcte invulling van dit item.
2. a) Voor deze vraag verstrekt de administratie gegevens in verband met het aanslagjaar 2013 (inkomstenjaar 2012). Immers, dit is het laatste aanslagjaar waarvoor op dit moment representatieve cijfers beschikbaar zijn. Voor aanslagjaar 2014 zijn nog geen representatieve cijfers beschikbaar vermits de initiële inkohieringen nog volop aan de gang zijn. Gedurende het aanslagjaar 2013 hebben concreet gezien 2.474 ondernemingen beroep gedaan op vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing in het kader van het wetenschappelijk onderzoek zoals bedoeld in het artikel 275, § 3, van het WIB. Ter informatie wordt aangestipt dat het geheel van deze bedrijven voor een bedrag van 651,1 miljoen euro beroep hebben gedaan op de maatregel.
b) Van de bovenvermelde 2.474 ondernemingen waren er 338 ondernemingen waarop de kwalificatie van Young innovative company (YIC) van toepassing was.
c) Van deze YIC's waren er 56 die zijn opgericht vanaf 1 januari 2010 en bijgevolg minder dan drie jaar oud waren op 31 december 2012.
d) Van de 2.474 ondernemingen die gebruik maakten van deze regeling waren er 49 die behoren tot de NACE-code (2008) 8542 "Hoger onderwijs".
3 en 4. Zoals u weet, kunnen zowel de fiscale administratie als de belastingplichtige beroep doen op het advies van Belspo en dit vanaf 1 januari 2014. Dit advies is in beide gevallen bindend. Niettemin worden geen gecentraliseerde statistische gegevens bijgehouden van het aantal keer dat op Belspo een beroep wordt gedaan.
5. Van de 2.474 ondernemingen zijn er 2.216 die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en 169 die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, hetgeen een aandeel geeft van respectievelijk 89,57 % en 6,83 %. Ten slotte mag aangestipt worden dat de vrijstelling als subsidie binnen de 'Andere bedrijfsopbrengsten' dient geboekt te worden ten gevolge van het compensatieverbod tussen kosten en opbrengsten ingeschreven in artikel 25, § 2, K.B. W.Venn. In deze kan nuttig verwezen worden naar Advies 2010/2 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen.
