Parlementaire vraag nr. 7 van de heer Van der Maelen van 31.08.2007

VRAAG 07/007
Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 003, blz. 101-103
Akkoorden tot administratieve bijstand - Principe van wederkerigheid
VRAAG
In uw antwoord op mijn vraag nr. 536 van 22 februari 2005 stelde u : «Op basis van een regeling kunnen we Nederland inlichtingen vragen over het bezit van onroerende goederen in Nederland die eigendom zijn van rijksinwoners. België heeft een regeling ondertekend met Frankrijk, Italië en Oekraïne voor een heel ruime uitwisseling van inlichtingen.» en «Wij zullen bij de Nederlandse overheid dezelfde informatie vragen als de Franse.» (interpellatie nr. 536, Kamer, 2004-2005, Commissie Financiën, 22 februari 2005, CRIV 51 COM 505, blz. 1).
Enkele maanden later vroeg ik of de Nederlandse fiscus ondertussen de inlichtingen over de onroerende goederen van Belgische belastingplichtigen in Nederland had doorgestuurd. Dit was niet het geval. De akkoorden tot administratieve bijstand zijn immers gebaseerd op een engagement tot wederkerigheid. De Belgische administratie moet gelijkaardige informatie bezorgen aan haar partnerlanden, maar deze overdracht stuit volgens u op inherente moeilijkheden, zoals de regionalisering van de onroerende voorheffing.
U deelde in uw antwoord op mijn vraag nr. 935 van 27 september 2005 ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 99, blz. 1726) mee hoe u dit zou aanpakken: «Om dit probleem te verhelpen werd aan de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen gevraagd om te proberen aan de hand van de gegevens in hun bezit, een lijst op te stellen van niet-inwoners, die eigenaar, vruchtgebruiker of naakte eigenaar zijn van een onroerend goed gelegen in België, en deze mee te delen aan de administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit bevoegd inzake het uitwisselen van inlichtingen. Bovendien zal, indien nodig, in het kader van artikel 327 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 contact opgenomen worden met de betrokken regionale administratie om opnieuw de afschriften van de aanslagbiljetten in de onroerende voorheffing te bekomen. België moet er immers over waken dat op het vlak van de internationale uitwisseling van inlichtingen de wederkerigheid wordt verzekerd.».
Op 12 januari 2006 (vraag nr. 1073, Kamer, 2005- 2006, Vragen en Antwoorden, nr. 110, blz. 20570) heb ik u een stand van zaken gevraagd en u antwoordde dat «contact werd opgenomen met het Vlaams Gewest om elementen te verkrijgen op basis waarvan zij de onroerende voorheffing vestigen en invorderen voor onroerende goederen gelegen op Vlaams grondgebied. ».
1. Is de Belgische administratie ondertussen in staat inlichtingen betreffende buitenlandse eigenaars van onroerende goederen in België te verzamelen en aan de administraties van die landen te bezorgen ?
2. Zo neen, welke knelpunten blijven bestaan en hoe zullen ze worden aangepakt ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 24.10.2007)
1. Het antwoord is helaas negatief.
2. Nog drie knelpunten verhinderen de mogelijkheid om de door het geachte lid beoogde uitwisseling op te starten :
a) Hoewel voorhanden, is het standaard uitwisselingsformaat aanbevolen door de OESO nog onvoldoende geïmplementeerd voor wat betreft de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot onroerende goederen (eventuele mede-eigendom; de uitwisseling van informatie op het ogenblik van een verkoop van een goed of op jaarbasis; verschillen tussen de Staten onderling bij het bepalen van de «huurwaarde», ...). De mogelijkheid bestaat om te werken op basis van de huidige standaard, echter, in dat geval zal de ontvangende Staat steeds moeten worden ingelicht over de wijze waarop elk «veld» is tot stand gekomen en samengesteld.
b) Naast de hierboven vermelde moeilijkheden, hebben de besprekingen met het Vlaamse Gewest tot op heden nog niet geleid tot een overeenstemming met betrekking tot de structuur van de aan te leveren bestanden.
c) Zoals het geachte lid weet, werden de laatste tijd belangrijke inspanningen geleverd met het oog op een verdere optimalisatie van de internationale automatische uitwisseling van inlichtingen op het vlak van de directe belastingen. Hoewel reeds een merkbare vooruitgang werd geboekt konden talrijke projecten echter nog niet tot een goed einde worden gebracht. Diegene die focusten op «rendabele» domeinen genoten daarbij een hogere prioriteit dan de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot onroerende goederen. Het betreft hier bovendien een impliciet verzoek van onze partnerstaten om voorrang te geven aan de elektronische uitwisseling van gegevens met betrekking tot de inkomsten die aan hun nationale belasting dreigen te ontkomen.