Parlementaire vraag nr. 421 van mevrouw Veerle Wouters van 16.06.2011

Vragen en Antwoorden, Kamer 2011-2012, nr. 45 van 04.11.2011, blz. 3

Personenbelasting

Belasting over de toegevoegde waarde

Vernieuwing van een woning

Energiebesparende uitgave

Toepassingsvoorwaarden van de vermindering voor energiebesparende uitgaven

VRAAG

Voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% bij renovatie van een woning geldt dat de woning ouder dan vijf of vijftien jaar dient te zijn. De wetgever heeft zich op deze termijn geïnspireerd om bepaalde uitgaven uit te sluiten van de belastingvermindering voor energiebesparende maatregelen evenals om de overdracht van het overschot naar een volgend jaar uit te sluiten.

1. Wanneer de woning nog geen vijf jaar in gebruik mag zijn genomen bij het begin van de werken, dient die termijn voor de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven dan berekend te worden van dag tot dag?

2. Of volstaat het eenvoudigheidshalve dat de woning voor het eerst werkelijk in gebruik werd genomen in de loop van het vijfde kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdstip van de aanvang van de werken, naar analogie met wat verwoord wordt op vlak van btw in aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, §§ 61-62, en in antwoord op vraag nr. 308 van 13 januari 2010 van mevrouw Ingrid Claes (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2009-2010, nr. 94, blz. 370)?

3. Aangezien het tijdstip van de ingebruikneming van de woning niet vermeld wordt, noch in het aanslagbiljet van de onroerende voorheffing, noch gewoonlijk in de notariële aankoopakte, waar kan de belastingplichtige op een eenvoudige wijze de juiste datum van de ingebruikneming van een woning terugvinden?

4. Om deze datum gemakkelijk terug te vinden in MyMinfin, bent u bereid om een veld "datum ingebruikneming" toe te laten voegen bij de kadastrale gegevens van de gebouwde onroerende goederen die zijn opgenomen in het vermogen van de belastingplichtige?

5. In de administratieve circulaire 11/2011, randnummer 43-44 aanvaardt de administratie dat de energiebesparende werken uitgevoerd bij de omvorming tot woningen van gebouwen die van oorsprong niet zijn bedoeld om te worden bewoond in principe in aanmerking kunnen komen voor de belastingvermindering. Dient de termijn van vijf jaar in dat geval beoordeeld te worden volgens de datum van ingebruikneming van het oorspronkelijk gebouw of neemt die een aanvang vanaf de ingebruikneming van het omgevormde gebouw als woning?

ANTWOORD (van de heer Reynders, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)

De vragen van het geachte lid hebben in concreto betrekking op de toepassing van:

- enerzijds de bepalingen van artikel 145/24, § 1, tweede lid, c, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) dat welbepaalde energiebesparende uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2010 uitsluit van de belastingvermindering wanneer deze uitgaven betrekking hebben op werken die worden verricht aan een woning waarvan de ingebruikneming minder dan vijf jaar voorafgaat aan de aanvang van die werken;

- en anderzijds de bepalingen van artikel 145/24, § 1, vijfde lid, WIB 92 dat vanaf aanslagjaar 2010 bepaalt dat wanneer het totaal van de verschillende belastingverminderingen het wettelijke grensbedrag overschrijdt, het overschot kan worden overgedragen op de drie belastbare tijdperken volgend op dat waarin de uitgaven werkelijk werden gedaan, zonder per belastbaar tijdperk, de uitgaven van het belastbaar tijdperk inbegrepen, dit grensbedrag te overschrijden. Deze overdracht is enkel van toepassing wanneer de energiebesparende uitgaven betrekking hebben op werken die worden verricht aan een woning waarvan de ingebruikneming ten minste vijf jaar voorafgaat aan de aanvang van die werken.

1. en 2. Overeenkomstig de voornoemde wettelijke bepalingen moet de berekening van de termijn van vijf jaar in principe van dag tot dag gebeuren. Dat principe is ook op die manier verwerkt in de circulaires nr. Ci.RH.331/ 605.768 (AOIF 49/2010) van 2 juli 2010 en nr. Ci.RH.331/605.767 (AAFisc 26/2011) van 16 mei 2011. In de voetnoten bij de schema's in deze circulaires wordt met betrekking tot de mogelijkheid tot overdracht van de belastingvermindering naar de drie volgende belastbare tijdperken, telkens vermeld dat het al dan niet in gebruik genomen zijn van de woning sedert ten minste vijf jaar wordt geëvalueerd bij het begin van de werken. Verder wordt in die voetnoten gesteld dat het dus mogelijk is dat een deel van de belastingvermindering voor uitgaven die in een bepaald kalenderjaar zijn verricht, in aanmerking komt voor de overdracht en een ander deel niet (uitgaven voor werken begonnen vóór vijf jaar ingebruikname van de woning als woning - uitgaven voor werken begonnen vanaf vijf jaar ingebruikname van de woning als woning). Bij de invoering van de voorwaarde dat de woning ten minste vijf jaar in gebruik is genomen bij het begin van de werken heeft de wetgever zich gebaseerd op eenzelfde omschrijving die reeds wordt gebruikt inzake btw. Dat blijkt uit de Parlementaire Stukken bij de economische herstelwet van 27 maart 2009, DOC 52 1788/001, p. 6. Het is dus duidelijk de bedoeling van de wetgever geweest om de berekening van de bedoelde termijn van vijf jaar inzake inkomstenbelastingen te laten aansluiten met de regels die gelden inzake btw. Ik meen dan ook dat de administratieve tolerantie die de BTW-Administratie ter zake hanteert moet worden doorgetrokken inzake inkomstenbelastingen. Dat betekent concreet dat de voorwaarde betreffende de periode van vijf jaar voor de toepassing van de voornoemde artikelen 145/24, § 1, tweede lid, c, en vijfde lid, WIB 92, vervuld is wanneer de woning voor het eerst in gebruik werd genomen in de loop van het vijfde kalenderjaar dat voorafgaat aan de aanvang van de werken die verband houden met de energiebesparende uitgaven. De administratie zal zo spoedig mogelijk de richtlijnen die ter zake reeds werden verspreid in overeenstemming brengen met deze beslissing.

3. Met toepassing van artikel 10, 2°, a, van het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen kan eenieder, tegen betaling van een vergelding, een uittreksel uit de kadastrale legger bekomen waarop, indien gevraagd, kosteloos ook de datum van de eerste ingebruikneming (of van de verhuring indien deze de eerste ingebruikneming voorafgaat) wordt vermeld. Die inlichting, afkomstig van de door de eigenaar ondertekende aangifte, wordt meegedeeld voor zover de bedoelde aangifte nog in het bezit is van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Voor alle duidelijkheid, de datum van ingebruikneming kan verschillend zijn van de datum einde opbouw, zoals standaard vermeld op het kadastraal uittreksel.

4. De Federale Overheidsdienst Financiën is bereid het tijdstip van ingebruikneming via MyMinfin beschikbaar te stellen voor zover de historische data technisch kunnen worden gerecupereerd. Door de operationalisering van de patrimoniale gegevensbank Patris, met een eerste release gepland in de loop van volgend jaar, zou dit technisch mogelijk worden.

5. Bij de omvorming van gebouwen die van oorsprong niet zijn bedoeld om te worden bewoond begint de bedoelde termijn van vijf jaar te lopen vanaf het jaar van de ingebruikneming van het omgevormde gebouw als woning. In dit verband kan ook nuttig worden verwezen naar het antwoord dat werd verstrekt onder nr. 35 van de circulaire nr. Ci.RH.331/605.643 (AAFisc 11/2011) van 22 februari 2011.