Parlementaire vraag nr. 365 van de heer de Clippele van 18.11.1994
VRAAG 94/365
Vraag nr. 365 van de heer de Clippele dd. 18.11.1994
Bull. nr. 748, pag. 1086
Vennootschap - Aanleggen van voorzieningen - Pensioenovereenkomst.
Een vennootschap betaalt aan een gewezen personeelslid periodieke aanvullende pensioenen, en dat in uitvoering van een individuele pensioenovereenkomst die de vennootschap met het betrokken personeelslid heeft gesloten op een ogenblik dat deze laatste nog in dienst was.
Op het ogenblik dat het personeelslid op pensioen gegaan is en de pensioenovereenkomst in werking is getreden, heeft de onderneming een voorziening voor risico's en kosten aangelegd om rekening te houden met de kosten die voortvloeien uit de pensioenovereenkomst.
Een aantal jaren nadat het personeelslid op pensioen is gegaan, wenst de onderneming de gehele pensioenlast die ingevolge de pensioenovereenkomst nog tot aan het overlijden van het personeelslid op de vennootschap drukt, te reserveren in een voorziening voor risico's en kosten.
Artikel 48 WIB 1992 bepaalt dat binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, worden vrijgesteld ... de voorzieningen voor risico's en kosten die door de onderneming worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.
Bent u het met mij eens dat :
1° een onderneming in principe, op basis van artikel 48 WIB 92, met vrijstelling van belasting, een voorziening voor aangegane pensioenverbintenissen kan aanleggen ? Die voorziening zou daarbij op loutere ramingen berusten doch berekend worden aan de hand van actuariële tabellen, gebaseerd op de statistische levensverwachtingen;
2° de onderneming dergelijke voorziening ook kan aanleggen in voormelde situatie, dus op een ogenblik dat de begunstigde van het pensioen reeds enige tijd gepensioneerd is, en dat voor de gehele pensioenlast die op dat ogenblik nog op de vennootschap drukt tot aan het overlijden van de begunstigde ? Artikel 48 WIB 92 vereist immers enkel dat het gaat om "kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn". Het feit dat reeds jaarlijks een aanvullend pensioen betaald wordt aan het betrokken gewezen personeelslid, kan beschouwd worden als "de aan de gang zijnde gebeurtenissen" op basis waarvan het waarschijnlijk is dat volgend jaar en de daaropvolgende jaren dergelijk pensioen moet worden uitbetaald.
Uit dien hoofde is het aanleggen van voorzieningen op de balans van de vennootschap en de betaling via algemene onkosten voortaan verboden. De beloften van bovenwettelijke voordelen in geval van leven, overlijden, ongeval of invaliditeit moeten dus uitsluitend gefinancierd worden door een groepsverzekering, een pensioenfonds of een individuele verzekering.
ANTWOORD
Ik heb de eer het geacht lid enige verduidelijkingen mee te delen inzake de draagwijdte van artikel 1 van de wet van 19 juni 1991 waarnaar mijn collega, de minister van Financiën, hem heeft verwezen (vraag nr. 1190 van 23 augustus 1994, Vragen en Antwoorden, Kamer, 94-95, nr. 129, blz. 13471).
Ingevolge wijzigingen aangebracht aan diverse reglementeringen (wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen, wet van 19 juli 1991 tot wijziging van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit), kunnen de bedrijfsleiders met een onafhankelijk statuut (bestuurders, zaakvoerders) worden aangesloten bij een groepsverzekering of een pensioenfonds.
De memorie van toelichting bij de wet van 19 juli 1991 bepaalt dat "de wet het begrip voorzorgsinstelling uitbreidt tot de opbouw van pensioenen voor leiders, wat het onder controle stellen meebrengt, evenals het verbod daartoe een intern pensioenfonds op te richten of te behouden, zoals dat het geval is voor de personeelsleden. Op die manier verzekert men hen ook een gespreide financiering volgens actuariële principes en onttrekt men die reserves aan de gevolgen van een faillissement van de onderneming."
Vraag nr. 365 van de heer de Clippele dd. 18.11.1994
Bull. nr. 748, pag. 1086
Vennootschap - Aanleggen van voorzieningen - Pensioenovereenkomst.
Een vennootschap betaalt aan een gewezen personeelslid periodieke aanvullende pensioenen, en dat in uitvoering van een individuele pensioenovereenkomst die de vennootschap met het betrokken personeelslid heeft gesloten op een ogenblik dat deze laatste nog in dienst was.
Op het ogenblik dat het personeelslid op pensioen gegaan is en de pensioenovereenkomst in werking is getreden, heeft de onderneming een voorziening voor risico's en kosten aangelegd om rekening te houden met de kosten die voortvloeien uit de pensioenovereenkomst.
Een aantal jaren nadat het personeelslid op pensioen is gegaan, wenst de onderneming de gehele pensioenlast die ingevolge de pensioenovereenkomst nog tot aan het overlijden van het personeelslid op de vennootschap drukt, te reserveren in een voorziening voor risico's en kosten.
Artikel 48 WIB 1992 bepaalt dat binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, worden vrijgesteld ... de voorzieningen voor risico's en kosten die door de onderneming worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.
Bent u het met mij eens dat :
1° een onderneming in principe, op basis van artikel 48 WIB 92, met vrijstelling van belasting, een voorziening voor aangegane pensioenverbintenissen kan aanleggen ? Die voorziening zou daarbij op loutere ramingen berusten doch berekend worden aan de hand van actuariële tabellen, gebaseerd op de statistische levensverwachtingen;
2° de onderneming dergelijke voorziening ook kan aanleggen in voormelde situatie, dus op een ogenblik dat de begunstigde van het pensioen reeds enige tijd gepensioneerd is, en dat voor de gehele pensioenlast die op dat ogenblik nog op de vennootschap drukt tot aan het overlijden van de begunstigde ? Artikel 48 WIB 92 vereist immers enkel dat het gaat om "kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn". Het feit dat reeds jaarlijks een aanvullend pensioen betaald wordt aan het betrokken gewezen personeelslid, kan beschouwd worden als "de aan de gang zijnde gebeurtenissen" op basis waarvan het waarschijnlijk is dat volgend jaar en de daaropvolgende jaren dergelijk pensioen moet worden uitbetaald.
Uit dien hoofde is het aanleggen van voorzieningen op de balans van de vennootschap en de betaling via algemene onkosten voortaan verboden. De beloften van bovenwettelijke voordelen in geval van leven, overlijden, ongeval of invaliditeit moeten dus uitsluitend gefinancierd worden door een groepsverzekering, een pensioenfonds of een individuele verzekering.
ANTWOORD
Ik heb de eer het geacht lid enige verduidelijkingen mee te delen inzake de draagwijdte van artikel 1 van de wet van 19 juni 1991 waarnaar mijn collega, de minister van Financiën, hem heeft verwezen (vraag nr. 1190 van 23 augustus 1994, Vragen en Antwoorden, Kamer, 94-95, nr. 129, blz. 13471).
Ingevolge wijzigingen aangebracht aan diverse reglementeringen (wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen, wet van 19 juli 1991 tot wijziging van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit), kunnen de bedrijfsleiders met een onafhankelijk statuut (bestuurders, zaakvoerders) worden aangesloten bij een groepsverzekering of een pensioenfonds.
De memorie van toelichting bij de wet van 19 juli 1991 bepaalt dat "de wet het begrip voorzorgsinstelling uitbreidt tot de opbouw van pensioenen voor leiders, wat het onder controle stellen meebrengt, evenals het verbod daartoe een intern pensioenfonds op te richten of te behouden, zoals dat het geval is voor de personeelsleden. Op die manier verzekert men hen ook een gespreide financiering volgens actuariële principes en onttrekt men die reserves aan de gevolgen van een faillissement van de onderneming."
Bron: FisconetPlus
