Parlementaire vraag nr. 6 van de heer Beysen van 16.03.1992

VRAAG 92/006/2
Bull. nr. 721, pag. 3062
Kind ten laste - Doodgeboren kind
VRAAG
Het WIB bepaalt dat kinderen ten laste van de belastingplichtige zijn vanaf het dienstjaar waarin ze werden geboren. De administratieve commentaar op de wet van 7 december 1988 (24ste aflevering, nr. II/685) inzake kinderen geboren en overleden tijdens het belastbare tijdperk bepaalt wat volgt : " Die laatste voorwaarde (geboren en overleden) impliceert dat een zekere tijdspanne moet verlopen zijn tussen de geboorte en het overlijden van het kind ; doodgeboren kinderen kunnen derhalve niet als ten laste van de belastingplichtige worden beschouwd (Ci D 19/402.192-P.B. 10.10.1990)."
De letterlijke toepassing van deze administratieve commentaar heeft tot gevolg dat ouders die de morele en materiële gevolgen hebben moeten dragen van een doodgeboren kind, zich fiscaal gepenaliseerd voelen. In een zo kiese aangelegenheid als deze moeten de humane redenen prevaleren op de fiscale.
1. Bent u het hiermee eens ?
2. Zo ja, zal u de nodige onderrichtingen verstrekken om te beletten dat mensen die een moreel zware klap hebben te verwerken, door uw administratie humaner zouden worden bejegend ?
ANTWOORD
Een van de basisprincipes inzake de tenlasteneming van gezinsleden op 1 januari van het aanslagjaar (dit is in de regel het jaar na het inkomstenjaar) deel moet uitmaken van het gezin van de belastingplichtige.
Daarmee beoogde de wetgever een belastingvermindering toe te kennen aan belastingplichtigen die tijdens het inkomstenjaar werkelijk de last gedragen hebben van de opvoeding van hun kinderen of de verzorging van hun naaste bloedverwanten.
De strikte toepassing van dat principe leidde er evenwel toe dat sommige belastingplichtige in uitzonderingsgevallen geen belastingvermindering kregen, alhoewel ze toch gedurende een groot gedeelte van het inkomstenjaar voor hun gezinsleden hadden gezorgd. Dit was met name zo wanneer het gezinslid overleed naar het einde van het inkomstenjaar.
Om aan die toestand een einde te maken werd in de hervormingswet van 1988 onder meer een bepaling opgenomen (artikel 6, § 1, laatste lid) die stelt dat een overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is.
Daarbij is het nooit de bedoeling geweest de beoogde belastingvermindering ook uit te breiden tot, kinderen die nooit geleefd hebben, dus ook nooit werkelijk ten laste van de belastingplichtige zijn geweest.
Hoezeer ik ook het meeleven van het geacht lid met de betrokken ouders apprecieer en deel, toch is het mijns inziens niet aangewezen hiervoor een gekunstelde fiscale compensatie te zoeken door middel van een onverdedigbaar interpretatie van de voornoemde wettelijke bepaling.