Parlementaire vraag nr. 210 van de heer Moriau van 27.12.1995
VRAAG 95/210
Bull. nr. 760, pag. 930
Onroerende voorheffing - Vrijstelling
Artikel 3, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bepaalt dat de onroerende voorheffing een gewestelijke belasting is. Krachtens artikel 4, § 2, van diezelfde wet zijn de gewesten bevoegd om de aanslagvoet en de vrijstellingen van deze belasting te wijzigen.
Sommige gewesten hebben de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van de onroerende voorheffing aan eigen bedingen gekoppeld. Ik denk hierbij aan de vrijstelling voor improduktiviteit in het Vlaamse Gewest.
1. Houdt de term "wijzigen" in dat de gewesten een vrijstelling van onroerende voorheffing ongedaan kunnen maken?
2. Zo ja, vindt u het dan niet ongerijmd dat aan de ene kant, aangezien de federale Staat bevoegd blijft voor de vaststelling van de belastinggrondslag, het kadastraal inkomen van een onroerend goed op grond van artikel 12 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van belasting is vrijgesteld, terwijl aan de andere kant onroerende voorheffing op het goed wordt ingehouden ?
3. Wat gebeurt er met de aldus gekweten onroerende voorheffing, die in principe met de personenbelasting wordt verrekend ?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vragen.
1. De term " wijzigen" gebruikt in artikel 4, § 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten lijkt me niet uit te sluiten dat het gebruik van deze mogelijkheid door een gewest zich kan vertalen in de loutere opheffing van een vrijstelling van de onroerende voorheffing (OV).
2. De vrijstellingen bedoeld bij artikel 12 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) zijn afwijkingen op de algemene regel krachtens dewelke de inkomsten van onroerende goederen bijdragen tot de vorming van het geheel van de netto inkomsten onderworpen aan de personenbelasting (PB).
Niets verplicht de gewesten om, inzake vrijstelling van OV, dezelfde criteria te gebruiken als inzake PB. Het tegengestelde beweren zou neerkomen op het uithollen van hun bevoegdheden ontsproten uit de bovenvermelde financieringswet.
Thans kan het kadastraal inkomen van een in het Vlaams Gewest gelegen onroerend goed krachtens artikel 15, § 1, WIB 92, vrijgesteld zijn van de PB, terwijl het krachtens artikel 60 van het decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, aan de OV kan onderworpen zijn.
Eveneens, kan men tot een toestand komen waarin het kadastraal inkomen (KI) van een onroerend goed zou belast worden in de PB en vrijgesteld in de OV.
Bovendien, krachtens artikel 4, § 4, van de bovenvermelde bijzondere wet van 16 januari 1989, blijft de federale wetgever bevoegd voor het vaststellen van de heffingsgrondslag inzake OV, namelijk het KI, van een gebouwd of ongebouwd onroerend goed, en bij uitbreiding, van de procedures van herschatting, perekwatie of indexering van de KI's onder voorbehoud van het akkoord van de gewestregeringen.
3. Zoals het van toepassing is sinds aanslagjaar 1995, stelt artikel 277, WIB 92, enerzijds, dat alleen nog het bedrag van de OV met betrekking tot het KI van de in artikel 16 van hetzelfde wetboek vermelde woning kan verrekend worden, doch slechts in zover dat KI in het belastbare inkomen begrepen is, en, anderzijds, dat het te verrekenen bedrag niet hoger mag zijn dan 12,5 % van het KI dat aan de OV onderworpen is.
Derhalve kan een van de PB vrijgesteld KI, dat evenwel aan de OV onderworpen is, geen aanleiding geven tot enige verrekening.
Bron: FisconetPlus
