Parlementaire vraag nr. 1153 van de heer de Clippele van 28.06.1994

VRAAG 94/1153
Bull. nr. 744, pag. 3432
Inkomstenbelastingen - Aangifte - Termijn
Mijn vraag gaat over de al tien jaar lang vigerende procedure voor bureaus of personen die gespecialiseerd zijn in het invullen en het indienen van aangiften van derden (Com. IB, § 218/0 tot 218/5 of 311/0 tot 311/5). Via die procedure kan, onder strikte voorwaarden, een verlenging van de aangiftetermijn worden verkregen. Ik stel evenwel vast dat die verlenging maximaal 3 maanden kan bedragen, aangezien de maximale verlenging van de termijn op 30 september van het aanslagjaar verstrijkt en de termijn die belastingplichtigen die het boekjaar op de 31ste december daarvoor hebben afgesloten, in acht dienen te nemen, op 30 juni werd vastgesteld. Die mogelijkheid tot verlenging van de termijn met drie maanden is geheel en al duidelijk voor natuurlijke personen en voor de meeste vennootschappen.
De procedure loopt echter spaak bij vennootschappen die het boekjaar statutair op een andere datum dan 31 december afsluiten. Ik geef het voorbeeld van een vennootschap die haar boekjaar afsluit op 31 maart 1994. Op de belastingaangifte staat als aangiftetermijn 30 september 1994 vermeld (afsluiting + 6 maanden). De gevolmachtigde verzoekt de inspecteur A in het kader van een collectieve aanvraag een verlenging van de aangiftetermijn toe te kennen tot 30 november 1994 (toegekende datum + 2 maanden). De inspecteur A verwerpt de aanvraag en staaft zijn weigering door te beweren gebonden te zijn aan de absolute einddatum van 30 september 1994 voor alle navragen. Hij raadt de aanvrager aan zich te wenden tot de hoofdcontroleur die het dossier van de vennootschap volgt. Die antwoordt dat ingevolge de in de Com. IB ingevoegde rondzendbrief de bevoegdheid tot het verlenen van een bijkomende termijn uitsluitend aan de inspecteur A wordt gedelegeerd.
Er is dus dubbele exceptie van onbevoegdheid. De hoofdcontroleur beweert dat hij uitsluitend bevoegd is wanneer er sprake is van verlenging wegens ernstige redenen (U 218/6 of 311/6) of overmacht (§ 218/7 of 311/7). Het totale werkvolume van de aanvrager zou aan geen van die twee gevallen beantwoorden.
Wat moet de aanvrager nu doen ?
ANTWOORD
De door het geacht lid gestelde vraag noopt mij ertoe het volgende te verduidelijken.
De uiterste datum van indiening van een aangifte in de vennootschapsbelasting is in principe de laatste dag van de maand na die van de algemene vergadering, zonder dat die datum méér dan zes maanden na het afsluiten van het boekjaar mag vallen. Wanneer de algemene vergadering al heeft plaatsgehad op het moment van de verzending van het aangifteformulier door de taxatiedienst of wanneer de statuten geen goedkeuring van de geschriften door de vennoten voorschrijven, is de datum van terugzending evenwel de laatste dag van de maand na die van de verzending.
Het indienen van aangiften na de voorgeschreven termijn door personen of organisaties die gespecialiseerd zijn in het invullen van aangiften van derden, mag slechts onder welbepaalde voorwaarden door de bevoegde inspecteur worden toegestaan waarbij de uiterste datum niet na 30 september mag vallen (nr. 311/3 van de commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992-Com. IB 1992). Die datum werd zo vastgelegd om het goede verloop van de taxatie- en controlewerkzaamheden aan de aangiften en bijgevolg de snelle inning van de belastingen te waarborgen. Hij geldt voor alle aangiften, met inbegrip van die vennootschappen die hun boekhouding anders dan per kalenderjaar houden.
Door de bevoegde hoofdcontroleur kan eveneens een verlenging van de termijn worden toegestaan aan de voormelde personen of organisaties betreffende bepaalde van hun cliënten die niet aan de vereisten voldoen om te worden opgenomen in de voormelde algemene aanvraag (nr. 311/6, Com. IB 1992).
Tot slot kan ook overmacht de verlenging van de termijn voor het indienen van de aangifte tot gevolg hebben (nr. 311/7, Com. IB 1992).
In het door het geacht lid aangehaalde voorbeeld blijkt dat de overmacht dadelijk kan worden uitgesloten. De aanvrager dient dus de verlenging van de aangiftetermijn voor de betrokken vennootschap te vragen bij haar bevoegde hoofdcontroleur en ter zake ernstige redenen aan te voeren om de niet-terugzending van de aangifte binnen de oorspronkelijke termijn te rechtvaardigen.
Het is juist dat het globaal werkvolume van de zaakgelastigde niet zonder meer beantwoordt aan de voormelde vereiste.
In dat opzicht vestig ik de aandacht op het feit dat voor de vennootschappen die hun jaarrekening afsluiten op een andere datum dan 31 december er geen sprake meer kan zijn van het indienen van een groot aantal aangiften op dezelfde datum. Overigens kunnen de zaakgelastigden de voorbereidende werkzaamheden voor het opstellen van de aangiften al aanvatten zonder de verzending van de aangiften af te wachten, wat op zich ook de mogelijkheid biedt de werkzaamheden met betrekking tot het invullen ervan te spreiden.