Parlementaire vraag nr. 11683 van de heer Chabot van 23.05.2006

VRAAG 06/11683
Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën, Com 971, blz. 6-7
Bedrijfsvoorheffing - Ingehouden maar niet doorgestort - Faillisement werkgever - Verrekening - Ambtshalve ontheffing
VRAAG
De voorheffing is eigenlijk een voorschot op de belasting.
De aanslagvoeten en de modaliteiten voor de inning van de bedrijfsvoorheffing worden bepaald bij het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Soms wordt de bedrijfsvoorheffing echter wel aan de bron ingehouden maar stort de werkgever de belasting jammer genoeg niet door aan de Staat, bijvoorbeeld in geval van een faillissement. Over de verrekening van de bedrijfsvoorheffing willen de interpretaties dan wel eens uiteenlopen. Naar verluidt zou uw departement in vele gevallen weigeren de ingehouden maar niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing te verrekenen.
Volgens een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Namen van 8 februari 2006 moet er evenwel altijd rekening worden gehouden met het totale bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing, ongeacht of de voorheffing in de Schatkist gestort werd of niet.
Wat is het officiële standpunt van de administratie hierover ? Hoeveel geschillen over dossiers waarin uw diensten de ingehouden maar niet aan de Staat doorgestorte bedrijfsvoorheffing weigeren te verrekenen, zijn er momenteel hangende ? Wat gebeurt er met belastingplichtigen wier dossier behandeld werd zonder verrekening van de voorheffing en voor wie de bezwaartermijn verstreken is ? Zullen de diensten de nodige instructies krijgen om een gemeenschappelijk standpunt in te nemen?
ANTWOORD (van de heer Jamar, staatssecretaris)
In het antwoord op de mondelinge vraag nr. 2 598 van 9 november 2000 van de heer Yves Leterme (Cf. Beknopt Verslag nr. 50/290, blz. 5) werd reeds gesteld dat een werkelijk ingehouden voorheffing verrekenbaar is en dat die regel moet worden toegepast, ook in geval van faillissement, overeenkomstig de bepalingen van het administratief commentaar van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. In het vonnis van de rechtbank van Namen van 8 februari 2006 waarnaar wordt verwezen, wordt er trouwens de aandacht op gevestigd dat de Staat, verweerder in de zaak, dat standpunt expliciet onderschrijft. Dat standpunt werd achteraf via artikel 400 van de programmawet van 24 december 2002 in artikel 296 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen ingelast.
De administratie beschikt over geen statistische gegevens in verband met het aantal geschillen die specifiek over die kwestie gaan.
Behoudens geval van overmacht worden de termijnen bepaald om een administratief beroep in te stellen voorgeschreven op straffe van verval. Ter zake verwijs ik u naar artikel 371 van de Wetboek van de inkomstenbelasting. De niet-verrekening van een voorheffing kan echter gecorrigeerd worden op grond van artikel 376, § 3, 1°, van het Wetboek, waarin gesteld wordt dat de directeur der belastingen ambtshalve ontheffing verleent van de overbelastingen van de voorheffingen op voorwaarde dat die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of aan de administratie werden bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting waarvoor die voorheffingen worden verrekend, is gevestigd.
Vanaf de inkomsten van het jaar 2002, stelt het jaarlijks gepubliceerde bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten, duidelijk dat de werkelijk ingehouden voorheffing met betrekking tot de bezoldigingen betaald door de curatoren, de vereffenaars of personen die gelijksoortige functies uitoefenen, moet vermeld worden op de individuele fiches 281.10 tegenover de rubriek "bedrijfsvoorheffing", zelfs indien die, bij gebrek aan voldoende actief, niet aan de bevoegde ontvanger werd gestort.