Parlementaire vraag nr. 610 van de heer Olivier Destrebecq van 03.10.2013

Parlementaire vraag nr. 610 van de heer Olivier Destrebecq dd. 03.10.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/138 dd. 02.12.2013, blz. 292

De impact van de hervorming van de taxshelter op de financiering

VRAAG

Bij de recente programmawet van 28 juni 2013 werd er een overgangsmaatregel in het Wetboek van de inkomstenbelastingen ingevoerd die vennootschappen de mogelijkheid biedt hun belaste reserves uit te keren, zoals deze vermeld staan in de laatste jaarrekening die uiterlijk op 31 maart 2013 werd goedgekeurd, met toepassing van 10 procent voorheffing, op voorwaarde dat die uitkering binnen de bij wet bepaalde termijn wordt gevolgd door een kapitaalsverhoging die overeenstemt met het bedrag dat door de aandeelhouders werd ontvangen (nieuw artikel 537 van het WIB 1992). Tal van vennootschappen vragen zich momenteel af welk belang ze erbij hebben om hun belaste reserves met toepassing van dat nieuwe artikel 537 WIB 1992 uit te keren en, indien ze effectief tot die uitkering overgaan, in hoeverre ze tijdens hetzelfde boekjaar nog een taxshelter-investering zullen kunnen doen. Elke uitkering van belaste reserves leidt immers tot een vermindering van de belastbare gereserveerde winst van de belastbare periode en heeft derhalve een negatieve invloed op het vermogen van de vennootschap om tijdens die periode eveneens taxshelter-investeringen te doen (aangezien de vrijstelling per boekjaar bij artikel 194ter van het WIB 1992 wordt beperkt tot de helft van de belastbare gereserveerde winst van het desbetreffende boekjaar).

1. Zal de regering de impact van die overgangsmaatregel op de taxshelter beperken, zoals ze dat voor de toepassing van de verlaagde tarieven heeft gedaan (artikel 215, 3e lid, 3°)? In voorkomend geval zou het volstaan artikel 537, 2e lid, van het WIB 1992 te vervolledigen met de woorden 'en worden niet in mindering gebracht van de belastbare gereserveerde winst van de belastbare periode wat de toepassing van artikel 194ter, 3e lid, betreft'.

2. Sommige boekhouders en belastingdeskundigen vragen zich tevens af of de kapitaalsverhoging die als voorwaarde geldt voor de toepassing van de overgangsmaatregel bepaald bij het nieuwe artikel 537 van het WIB 1992, wat de toepassing van artikel 194ter van het WIB 1992 betreft, een gedeeltelijke compensatie zal meebrengen van de vermindering van de belastbare gereserveerde winst, die het gevolg is van de vermindering van de belaste reserves. In dat geval zal alles er blijkbaar van afhangen hoe de toekomstige aangifte in de vennootschapsbelasting er zal uitzien. In principe heeft een kapitaalsverhoging via externe inbreng geen invloed op het bedrag van de belastbare gereserveerde winst. In de aangifte in de vennootschapsbelasting zou de bij het nieuwe artikel 537 van het WIB 1992 bepaalde kapitaalsverhoging evenwel kunnen worden gelijkgesteld met 'de reserves geïncorporeerd in het kapitaal en de belastbare uitgiftepremies', of in hetzelfde vak van de aangifte zou er kunnen worden voorzien in een speciale rubriek voor het bedrag dat aldus aan het kapitaal wordt toegevoegd. Daar zou een zekere logica in zitten, want de kapitaalsverlaging die vóór het vijfde of het negende jaar plaatsvindt (afhankelijk of het al dan niet om een kmo gaat), leidt krachtens artikel 537 van het WIB 1992 tot een heffing die vergelijkbaar is met de heffing die van toepassing is op de eventuele uitkering van in het kapitaal vervatte reserves (zij het dan aan een ander tarief). Indien de toekomstige aangifte in de vennootschapsbelasting inderdaad zo'n rubriek bevat, zal het vermogen van vennootschappen om taxshelter-investeringen te doen wellicht slechts beperkt worden aangetast, aangezien daar voor de berekening van de belastbare gereserveerde winst rekening mee wordt gehouden in het kader van artikel 194ter van het WIB 1992. Wat is uw standpunt hieromtrent?

ANTWOORD (van de minister van Financiën)

Vooreerst wordt er aan herinnerd dat de beperking van de Tax Shelter vrijstelling per belastbaar tijdperk tot 50 % (met een maximum van 750.000 euro) van de belastbare gereserveerde winst, niet tot gevolg heeft dat de vennootschap het voordeel van deze vrijstelling verliest. De voor een bepaald belastbaar tijdperk niet toegekende Tax Shelter vrijstelling wordt immers overgedragen naar de winst van de volgende belastbare tijdperken. Algemeen beschouwd kunnen verschillende factoren het bedrag van de belastbare gereserveerde winst beïnvloeden, waaronder ook bijvoorbeeld de vermindering van de belaste reserves, ongeacht de oorzaak hiervan. Wanneer een vennootschap, in toepassing van artikel 537 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB92), overgaat tot het uitkeren van dividenden via het aanwenden van belaste reserves kan dit een vermindering tot gevolg hebben van de belaste gereserveerde winsten van het betrokken belastbaar tijdperk. Een dergelijke vermindering zou tot gevolg hebben dat voor het betreffende belastbaar tijdperk de Tax Shelter vrijstelling in overeenkomstige mate beperkt wordt, zoals hoger vermeld. Er dient echter op gewezen te worden dat artikel 537 WIB92 de belastingplichtige niet verplicht om de dividenduitkering te verwezenlijken door ook de winsten van het betreffende belastbaar tijdperk uit te keren. In het geval de belastingplichtige de bepalingen van de Tax Shelter ook wenst toe te passen voor het belastbaar tijdperk waarvoor artikel 537 WIB92 wordt toegepast, zal hij met respect van die andere wetsbepalingen de dividenduitkering in die zin moeten organiseren. De kapitaalverhoging waarnaar het geachte lid verwijst, betreft geen omzetting van de reserves in kapitaal en aldus kan hetgeen hij suggereert onmogelijk gevolgd worden. Het is niet de bedoeling van de regering om de impact te verminderen die de in artikel 537 WIB92 voorziene overgangsmaatregel zou kunnen hebben op de berekening van de Tax Shelter vrijstelling tijdens het belastbaar tijdperk, aangezien de begunstigde vennootschap niets van deze vrijstelling verliest omwille van het recht op overdracht.