Parlementaire vraag nr. 1564 van de heer Delcroix van 15.01.1999
VRAAG 99/1564
Vr. en Antw., Senaat, 1998-1999, nr. 1-95, blz. 5025
Bull. nr. 796, pag. 2817
Interesten geïnd door Belgische bedrijven. - Inning RV.
VRAAG
De interesten die door Belgische bedrijven worden geïnd op Belgische obligaties, kasbons, e.d. zijn in de regel nog altijd onderhevig aan roerende voorheffing.
Waarom er ter zake geen vrijstelling van de inning van de roerende voorheffing is, is niet zo duidelijk. De bedrijven kunnen de betrokken voorheffing immers recupereren : hij is verrekenbaar en terugbetaalbaar.
Kan de geachte minister de oorzaak van het gebrek aan vrijstelling verhelderen ?
Zoniet, is de inning van de voorheffing geen overbodige formaliteit aangezien die voorheffing toch altijd moet worden terugbetaald ? Is het in die omstandigheid niet aangewezen een vrijstelling in te voeren ?
ANTWOORD
Ik heb de eer de aandacht van het geachte lid te vestigen op het principe vervat in artikel 249 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) luidens hetwelk met betrekking tot onder andere de inkomsten van roerende goederen en kapitalen de belasting wordt geheven bij wijze van voorheffingen. Overeenkomstig artikel 261, WIB 92 moet de roerende voorheffing in beginsel van de belastbare inkomsten worden ingehouden.
Evenwel kan de Koning op grond van artikel 266, eerste lid, WIB 92, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die hij bepaalt en voor zover de verkrijgers van de inkomsten worden geïdentificeerd, geheel of ten dele afzien van de inning van de roerende voorheffing. In geen geval kan hij afzien van die inning op inkomsten van door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die worden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest (artikel 266, tweede lid, WIB 92).
De gevallen waarin wordt verzaakt aan de inning van de roerende voorheffing worden geregeld in de artikelen 106 tot 118 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Deze wettelijke bepalingen kunnen worden aangemerkt als maatregelen die voornamelijk een sociale, economische of technische inslag hebben.
Bovendien zijn de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen onder meer belastbaar terzake van inkomsten van roerende goederen en kapitalen en in artikel 90, 5° tot 7°, WIB 92 vermelde diverse inkomsten, waarvoor de eindbelasting gelijk is aan de roerende voorheffing (artikelen 221, 2°, en 225, eerste lid, WIB 92). Die voorheffing is in de in artikel 262, WIB 92, bedoelde gevallen overigens verschuldigd door de verkrijger van de inkomsten.
Tenslotte bepaalt artikel 280, WIB 92 dat :
- ten aanzien van de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen, niet zijnde dividenden en niet zijnde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, de roerende voorheffing slechts wordt verrekend tot het bedrag van de voorheffing op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige eigenaar of vruchtgebruiker van de roerende goederen en kapitalen of schuldeiser is geweest;
- wanneer de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen die goederen of kapitalen gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, de roerende voorheffing slechts wordt verrekend tot het bedrag van de voorheffing op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige de volle eigendom van de goederen of kapitalen heeft gehad.
Ik wens er het geachte lid nog op te wijzen dat in zover de door de bedrijven verschuldigde belasting als voorheffing is geheven, ze niet de vermeerdering als bedoeld in artikel 157 en 218, WIB 92, ondergaat.
Bovendien, overeenkomstig de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten en haar toepassingsbesluit van 26 mei 1994, hebben ondernemingen ook de mogelijkheid effecten, die van roerende voorheffing zijn vrijgesteld, te bezitten binnen het X/N clearingstelsel van de Nationale Bank.
Het belangrijkste voordeel van dit stelsel bestaat in het toekennen van vrijstellingen zelfs wanneer de begunstigde van de inkomsten de effecten niet in bezit heeft gehad, in tegenstelling tot de hierboven vermelde regels van gemeenrecht, gedurende de hele periode waarin de effecten inkomsten hebben doen ontstaan.
In de toekomst zouden, in het kader van het BELARFI akkoord, twee stelsels moeten worden erkend, het ene stelsel voor openbare emittenten, de NBB, het andere voor particuliere emittenten, de CIK.
Gelet op alles wat voorafgaat, ben ik dan ook van mening dat de bestaande verzakingen aan de inning van de roerende voorheffing niet moeten worden uitgebreid.
Bron: FisconetPlus
