Parlementaire vraag nr. 388 van de heer Devlies van 12.05.2004

VRAAG 04/388
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 45, blz. 6889-6892
Meerdere spaarrekeningen - Roerende voorheffing - Vrijstelling - Bankgeheim
VRAAG
Intresten van spaardeposito's worden niet als roerende inkomsten aangemerkt ten belope van de eerste schijf van 1 810 euro (aanslagjaar 2005). Een financiële instelling zou kunnen overeenkomen met een cliënt een tweede spaarrekening te openen zodat de intresten uitgekeerd op beide rekeningen onder het bedrag van 1 810 euro blijven waardoor zij geen roerende voorheffing inhoudt op beide rekeningen.
1. Is dergelijke praktijk een bijzonder mechanisme overeenkomstig artikel 57, § 3, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht van de kredietinstellingen en artikel 104, § 3, van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten zoals omschreven door de Commissie voor het bank-, financiën assurantiewezen (CBFA)?
2. Is dergelijke praktijk een mechanisme zoals bedoeld in artikel 318, tweede lid, WIB 1992?
3. Leidt dergelijke praktijk, zelfs wanneer een financiële instelling slechts in individuele gevallen hiermee zou instemmen, tot de opheffing van het fiscaal bankgeheim in hoofde van de belastingplichtige spaarder?
4. Verschilt het antwoord naargelang meerdere depositorekeningen in eigen naam en/of in onverdeeldheid wordt aangehouden?
5. Welke richtlijnen heeft de CBFA uitgewerkt met betrekking tot het openen van meerdere rekeningen van dezelfde categorie (bijvoorbeeld zicht-, deposito, termijnrekeningen) door een cliënt bij één financiële instelling (bijvoorbeeld een privé-rekening, een rekening voor beroepsdoeleinden, een derdenrekening)?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 02.09.2004)
1. Krachtens artikel 57, § 3, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en artikel 104, § 3, van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs kan de Commissie voor het bank-, financie- en assurantiewezen uitzonderlijke maatregelen treffen wanneer zij er kennis van heeft dat een in België bedrijvige kredietinstelling of beleggingsonderneming een bijzonder mechanisme heeft ingesteld dat tot doel of tot gevolg heeft fiscale fraude door derden te bevorderen. In dat geval legt zij een termijn op binnen dewelke de betrokken praktijken dienen te worden stopgezet. Indien de kredietinstelling of beleggingsonderneming hieraan geen gevolg geeft kan zij het bedrijf van de vennootschap geheel of gedeeltelijk schorsen of verbieden.
Opdat er sprake zou zijn van een bijzonder mechanisme in de zin van de artikelen 57 van de bankwet en 104 van de beurswet dienen diverse voorwaarden te zijn vervuld.
Op de eerste plaats moet het om een bijzonder mechanisme gaan. Hieronder worden stelselmatige procédés bedoeld die een herhaling impliceren van verrichtingen welke worden uitgevoerd in omstandigheden die vreemd zijn aan de normale bankpraktijk en met het doel de belastingontduiking door derden, hoofdzakelijk de cliënteel, te bevorderen. Bovendien moet dit mechanisme zijn ingesteld door de financiële tussenpersoon. Er moet echter niet bewezen worden dat de derde inderdaad zijn belastingverplichtingen heeft miskend, voor zover het ingestelde mechanisme een dergelijke uitwerking kan hebben. De bepaling kan zowel gedragingen omvatten waardoor de fiscus kan worden misleid zonder dat dit op zichzelf een fiscale inbreuk vormt, als gevallen waar de financiële tussenpersoon mededader of medeplichtige is aan inbreuken die door derden worden gepleegd.
De kredietinstellingen en beleggingsondernemingen dienen zich te onthouden van het instellen van praktijken die de belastingontduiking van hun cliënten kunnen bevorderen. Zo is het niet toegestaan aan een kredietinstelling om zelf initiatieven te nemen opdat een cliënt meerdere spaarrekeningen zou openen met als doel ervoor te zorgen dat de interesten per spaarrekening de niet-belastbare schijf niet te boven gaan. Wanneer deze praktijk herhaaldelijk zou worden aangeboden of toegepast door een kredietinstelling (met andere woorden het systematisch aanbevelen) vormt zij in principe een verboden bijzonder mechanisme in de zin van artikel 57, § 3, van de bankwet van 22 maart 1993. De commissie zal in voorkomend geval op grond van een onderzoek van de feitelijke elementen van het dossier nagaan of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 57, § 3, is voldaan en de praktijk laten stopzetten.
Het spreekt verder vanzelf dat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bij het toekennen of betalen van roerende inkomsten (waaronder interesten van spaarrekeningen) de roerende voorheffing dienen in te houden en door te storten wanneer deze verschuldigd is.
2 en 3. In het algemeen kan worden gesteld dat het openen van meerdere spaarrekeningen door een belastingplichtige-cliënt bij eenzelfde of bij verschillende instellingen in principe is toegelaten. De redenen voor het openen van meerdere rekeningen kunnen divers zijn en van niet-fiscale aard.
Het komt in de eerste plaats aan de belastingplichtige toe om zijn fiscale verplichtingen na te leven, wat onder meer inhoudt dat het deel van de interesten van spaarrekeningen dat de niet-belastbare schijf overschrijdt en waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden, dient te worden aangegeven in de aangifte in de personenbelasting.
De vraag of het houden van twee of meerdere spaarrekeningen aanleiding geeft tot het toepassen van artikel 318, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 hangt af van de feitelijke elementen van het dossier.
4. Het antwoord op deze vraag is gelijklopend met het antwoord op de eerste vraag. Kredietinstellingen dienen zich te onthouden van het instellen van praktijken die de belastingontduiking van hun cliënten kunnen bevorderen en mogen dan ook geen initiatieven nemen tot het openen van meerdere spaarrekeningen door cliënten in eigen naam en/of in onverdeeldheid wanneer dit tot doel of gevolg heeft belastbare inkomsten niet aan te geven.
5. De CBFA heeft geen specifieke richtlijnen voor het openen van meerdere rekeningen van dezelfde categorie door een cliënt bij één financiële instelling. Het fiscaal probleem in verband met spaarrekeningen waarover de vraag handelt stelt zich normalerwijze niet bij zicht- en termijnrekeningen waarvan de interesten in principe integraal zijn onderworpen aan roerende voorheffing voor genieters die natuurlijke personen - Belgisch rijksinwoner zijn.
De CBFA heeft wel circulaires uitgevaardigd over het voorkomingbeleid dat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen dienen te voeren om inbreuken op de fiscale wetgeving en bijzondere mechanismen te voorkomen en meer algemeen om te voorkomen dat de reputatie van de instelling of van de sector wordt aangetast door onzuiver fiscaal handelen (circulaire D1 97/10 van 30 december 1997 aan de kredietinstellingen en circulaire D4/EB/5 van 18 december 1997 aan de beleggingsondernemingen). De bijzondere mechanismen zelf maken het voorwerp uit van de circulaire D1 97/9 aan de kredietinstellingen - D4 97/ 4 aan de beleggingsondernemingen van 18 december 1997.
Ten slotte wijs ik op de circulaire D1 99/3 aan de kredietinstellingen van 3 mei 1999 met gecoördineerde instructies met betrekking tot de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld overeenkomstig de wet van 11 januari 1993. Deze circulaire bevat diverse vereisten inzake identificatie van cliënten die de instellingen dienen na te leven, onder meer bij het openen van een rekening.