Parlementaire vraag nr. 1553 van de heer Luk Van Biesen van 16.03.2017
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/112 d.d. 31.03.2017, blz. 203
De houdperiode in het kader van de liquidatiereserve
VRAAG (van de heer Van Biesen)
Luidens artikel 184quater Wetboek der inkomstenbelastingen (WIB) kunnen sommige vennootschappen een zogenaamde liquidatiereserve aanleggen. De liquidatiereserve moet op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief worden geboekt en blijven en mag niet tot grondslag dienen voor enige beloning of toekenning (de zogenaamde onaantastbaarheidsvoorwaarde). Luidens artikel 269, § 1, 8° WIB is er 5 % roerende voorheffing verschuldigd voor de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve nadat ze ten minste vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste dag van het betreffende belastbaar tijdperk, behouden is gebleven. Stel dat de aanleg van de liquidatiereserve plaats vond over het resultaat van een boekjaar per 31 december 2015. Ze is met andere woorden reeds als liquidatiereserve geboekt in de jaarrekening per 31 december 2015. Op de jaarlijkse gewone algemene vergadering der aandeelhouders, gehouden in mei 2021 en handelende over de goedkeuring van de jaarrekening per 31 december 2020, wordt besloten om de liquidatiereserve (aangelegd per 31 december 2015) uit te keren. Ze staat per hypothese geboekt als een "te betalen dividend-ex liquidatiereserve 31 december 2015". Daardoor zal de liquidatiereserve op de jaarrekening per 31 december 2020 niet meer in het eigen vermogen zijn opgenomen. Echter, de liquidatiereserve staat per 31 december 2020 wel op een afzonderlijk rekening van het passief. Het vervullen van de onaantastbaarheidsvoorwaarde vereist niet dat de afzonderlijke rekening tot het eigen vermogen zou behoren. Zo is aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde bijvoorbeeld vervuld bij boeking op een overlopende rekening in geval van zogenaamde sale-en-lease back operaties (conform artikel 63 koninklijk besluit ter uitvoering van het wetboek vennootschappen). Hetzelfde geldt wat betreft het gedeelte van een gespreid belastbare meerwaarde (conform artikel 47 WIB) dat onder de schulden bij de "uitgestelde belastingen" is opgenomen. Daarnaast stellen we vast dat de "beloning of toekenning", in casu de beslissing om de liquidatiereserve als dividend uit te keren, pas in mei 2021 wordt genomen. Kunt u deze zienswijze bijtreden en bevestigen dat in de hierboven geschetste omstandigheden er op de uitkering als dividend van de liquidatiereserve 5 % roerende voorheffing zal verschuldigd zijn?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
In dit specifieke geval zal inderdaad 5 % roerende voorheffing verschuldigd zijn op het uitgekeerde dividend voortkomend uit de liquidatiereserve. De houdperiode begint te lopen op de laatste dag van het belastbaar tijdperk dat samenvalt met het boekjaar waarvoor de liquidatiereserve werd aangelegd, wat hier 31 december 2015 is. Het feit dat de liquidatiereserve op 31 december 2020 overgeboekt wordt naar een rekening "te betalen dividend-ex liquidatiereserve 31 december 2015" houdt geen schending van de onaantastbaarheidsvoorwaarde in. Het is pas bij de goedkeuring door de algemene vergadering in mei 2021, het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld en de roerende voorheffing opeisbaar wordt, dat de onaantastbaarheidsvoorwaarde niet langer als nageleefd wordt beschouwd.
