Parlementaire vraag nr. 699 van de heer Chabot van 16.03.2005

VRAAG 05/699
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 085, blz. 14736-14738
Buitengewone aanslagtermijn - Fraude - Voorafgaande kennisgeving
VRAAG
Indien de gewone onderzoekstermijn van drie jaar is verstreken en de administratie tijdens de bij artikel 354 van het WIB 1992 bepaalde aanvullende controletermijn van twee jaar onderzoeksdaden wil stellen, moet de belastingplichtige schriftelijk en nauwkeurig in kennis worden gesteld van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die tegen hem bestaan.
Ingevolge een arrest van het hof van beroep van Gent (15 juni 2004) en twee arresten van het Hof van Cassatie (2 september 1999, Fiscal. 724, blz. 10 en 14 oktober 1999, Pas. 1999, nr. 532, blz. 1314), wordt de vereiste van de voorafgaande kennisgeving voortaan ter discussie gesteld.
Toen artikel 333, derde lid van het WIB 1992 door de commissie voor de Financiën van de Kamer werd aangenomen, werd evenwel uitdrukkelijk vermeld dat dit niet betekende dat alle belastingplichtigen gedurende vijf in plaats van drie jaar permanent zouden worden gecontroleerd. Daarnaast werd bepaald dat de belastingdiensten zouden worden verplicht de betrokken belastingplichtigen in kennis te stellen van de elementen waarop hun vermoedens stoelen (Parl. Doc., Kamer, 1975-1976, nr. 837/7, blz. 43).
1. Wat is het standpunt van de administratie ter zake?
2. Klopt het dat de bij artikelen 333 (onderzoekstermijn) en 354 (aanslagtermijn) van het WIB 1992 bepaalde termijnen, ondanks het feit dat zij verband houden met elkaar, toch apart moeten worden beschouwd en dat hun verlenging aan verschillende voorwaarden moet voldoen?
3. Is de voorafgaande kennisgeving volgens uw departement ook in de volgende gevallen vereist:
a) wanneer de onderzoeksdaden niet ten aanzien van de belastingplichtige maar van derden worden gesteld;
b) bij inzage in een strafdossier;
c) wanneer na het verstrijken van de onderzoekstermijn van drie jaar inlichtingen aan een buitenlandse belastingadministratie worden gevraagd?
4. De bij artikel 333 van het WIB 1992 bepaalde onderzoeksdaden vallen duidelijk onder het hoofdstuk Onderzoek en controle". Moet men er dan ook van uitgaan, zoals de heer François Koning schrijft (Fiscale Actualiteit, 2005/1), dat de voorafgaande kennisgeving niet alleen is vereist voor onderzoeksdaden ten aanzien van belastingplichtigen, maar ook ten aanzien van derden, overheidsdiensten en belastingdiensten van andere lidstaten?
5. Wanneer een vraag om inlichtingen aan derden wordt gericht nadat de termijn van drie jaar is verstreken, moet de belastingplichtige dan vooraf van de aanwijzingen inzake belastingontduiking in kennis worden gesteld?
6. Zijn uw diensten in geval van een voorafgaande kennisgeving verplicht deze met redenen te omkleden, opdat zij een "nuttig effect" zou hebben en de mogelijkheid zou bieden de gegrondheid van de ingeroepen aanwijzingen ten aanzien van de belastingplichtigen aan te tonen nog vóór het onderzoek wordt aangevat?
7. Artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek maakt de rechtbank van eerste aanleg voor alle betwistingen in verband met een belastingwet bevoegd. In hoeveel belastingdossiers hebben rechtbanken zich bevoegd verklaard om zich uit te spreken over de wettelijkheid van voorafgaande kennisgevingen van aanwijzingen inzake belastingontduiking die in toepassing van artikel 333, derde lid van het WIB 1992 werden uitgevoerd?
ANTWOORD (minister van Financiën, 30.06.2005)
Zoals aangekondigd in het antwoord op uw mondelinge vraag nr. 5838 van 8 maart 2005, is mijn administratie overgegaan tot een onderzoek van de problematiek die u had voorgelegd betreffende de verplichting tot een voorafgaande kennisgeving van de aanwijzingen van fraude aan de belastingplichtige, zoals bepaald in artikel 333, 3e lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) (Integraal Verslag, Kamer, 2004-2005, commissie van Financiën, COM521, blz. 13).
Dit is hetgeen zij besluit:
  • De verlenging van de onderzoekstermijn en de verlenging van de aanslagtermijn zijn, zoals u heeft onderstreept, onderworpen aan verschillende voorwaarden. Inderdaad, het moet, maar het volstaat, opdat er een verlenging van twee jaar van de onderzoekstermijn zou zijn, dat de tegen de belastingplichtige weerhouden aanwijzingen van fraude hem vooraf, schriftelijk en op nauwkeurige wijze, zouden zijn kenbaar gemaakt. Voor de verlenging van de aanslagtermijn is het noodzakelijk dat de inbreuken door de belastingplichtige zijn begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
  • Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, is de kennisname door de administratie van een gerechtelijk dossier geen onderzoeksdaad in de zin van artikel 333, WIB 1992. Zij vereist dus geen voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen van fraude aan de belastingplichtige. Dit is eveneens het geval wanneer een vraag om inlichtingen wordt gericht aan een buitenlandse fiscale overheid. Deze kennisgeving is evenmin vereist wanneer het onderzoeksdaden betreft die niet bij de belastingplichtige zelf worden verricht, bijvoorbeeld wanneer een vraag om inlichtingen aan een derde wordt gericht in de bijkomende termijn van twee jaar. Dit standpunt wordt bevestigd door de rechtspraak.
  • De tekst van artikel 333, 3e lid, WIB 1992, voorziet enkel dat de administratie vooraf op een nauwkeurige wijze de belastingplichtige kennis moet geven van de aanwijzingen van belastingontduiking die tegen hem bestaan. Het is dus niet nodig dat deze kennisgeving op dezelfde wijze zou gemotiveerd zijn als een bericht van wijziging.
De administratie beschikt niet over specifieke statistieken betreffende het aantal belastingdossiers waarvoor de rechtbanken zich bevoegd hebben verklaard zich uit te spreken over de wettelijkheid van de voorafgaande kennisgevingen van aanwijzigen van fraude.