Parlementaire vraag nr. 977 van mevrouw Pieters van 10.11.2005

VRAAG 05/977
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 112, blz. 21087-21091
Indiciaire taxatie - Algemene standaard- of modelvragenlijsten
VRAAG
Door de controlecentra gevestigd in het Vlaamse landsgedeelte worden ter gelegenheid van de polyvalente onderzoeken samen met de aankondiging van de bezoeken ter plaatse, ter voorafgaande schriftelijke beantwoording gemakshalve standaardvragenlijsten meegezonden waarin veelal telkens een aantal modelvragen inzake personenbelasting en inzake BTW voorkomen.
Daarnaast wordt om die gezamenlijke belastingcontroles snel en vlot te laten verlopen tevens expliciet gevraagd alle financiële rekeningenuittreksels gerangschikt in chronologische volgorde binnen de acht dagen vooraf over te maken na ontvangst van het bericht houdende aankondiging van de bezoeken ter plaatse.
Omtrent die heersende onderzoekstaktieken rijzen thans de volgende praktische en procedurele vragen.
1. Is de belastingplichtige inderdaad effectief verplicht om alle gevraagde "indiciaire" en andere vermogensgegevens of bevestigingen vooraf of binnen een of andere wettelijke termijn aan de onderzoekende belasting- en BTW-ambtenaren op hun kantoor te gaan afgeven al dan niet tegen een ontvangstbewijs?
2. Mogen of moeten de ambtenaren van de sector Directe Belastingen en van de BTW-sector de belastingplichtigen volledig betrekken bij het aanbrengen van alle tekenen en indiciën die eventueel zouden kunnen wijzen op een hogere graad van gegoedheid dan blijkt uit de aangegeven belastbare inkomsten door het stellen van algemene vragen om inlichtingen?
3. Wordt de bewijslast daardoor niet op een ongeoorloofde wijze omgekeerd of afgewenteld?
4. Zijn de aldus door de controlecentra doorgevoerde taxaties daardoor wel degelijk op een rechtsgeldige wijze tot stand gekomen?
5. Zijn deze algemene praktische en handige onderzoeksmethoden niet eerder "willekeurig" zodat alle aanvullende aanslagen in de personenbelasting die daaruit zouden voortvloeien zonder meer "nietig" zijn?
6. Kan u afzonderlijk en punt per punt, uw geactualiseerde ziensen handelswijze onder meer beoordeeld in het kader van de wettelijke bepalingen van de artikelen 49, 315, 317, 333, 340 en 341 WIB 1992, het BTW-Wetboek, het legaliteitsbeginsel en in het licht van alle beginselen van behoorlijk bestuur en van de procedurele principes van "beter taxeren"?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.03.2006)
Wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft
Wat betreft de verplichting tot voorlegging van bankrekeninguittreksels kan worden gesteld dat bij toepassing van artikel 61, § 1, van het BTW-Wetboek elke belastingplichtige gehouden is tot voorlegging van de boeken en stukken bedoeld in artikel 60 van het BTW-Wetboek, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft. Deze documenten dienen zonder verplaatsing ter inzage te worden voorgelegd teneinde de juiste heffing van de belasting in hoofde van de belastingplichtige zelf of in hoofde van derden te kunnen nagaan. Terzake vallen bankrekeninguittreksels eveneens onder deze verplichting.
In principe worden de in artikel 61, § 1, van het BTW-Wetboek bedoelde boeken en stukken niet meegenomen door de ambtenaren of door de belastingplichtigen naar het controlekantoor gebracht. Echter, onder meer teneinde de duur van de aanwezigheid van de ambtenaren in de lokalen van de onderneming te beperken en met het oog op een vlotte afhandeling van de controle, kunnen deze boeken en stukken toch worden meegenomen of naar kantoor gebracht, hetzij op vraag van de ambtenaar, hetzij op vraag van de belastingplichtige. Hierbij is de belastingplichtige steeds vrij een ontvangstbewijs te vragen. Uiteraard mag deze werkwijze door de controlerende ambtenaren niet aan de belastingplichtige worden opgelegd.
Anderzijds mag deze voorleggingsplicht niet worden verward met het inhoudingsrecht beoogd in artikel 61, § 2, van het BTW-Wetboek. Overeenkomstig laatstgenoemd artikel hebben de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, het recht om de bankrekeninguittreksels, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat deze documenten de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
De rekeninguittreksels mogen bijgevolg door de controlerende ambtenaren worden meegenomen of door de belastingplichtige naar kantoor gebracht, tegen afgifte van een ontvangstbewijs waarop de ontvangen of meegenomen stukken worden geı¨nventariseerd. Bovendien moeten deze ambtenaren aan de belastingplichtige de elementen kenbaar maken die hen toelaten te concluderen dat uit deze documenten een verschuldigde belasting of geldboete blijkt. Dit inhoudingsrecht heeft tot doel de taak van de administratie te vergemakkelijken en in het bijzonder om de gegrondheid van de vordering in rechte te bewijzen. Bijgevolg kan de administratie deze rekeninguittreksels inhouden gedurende een tamelijk lange termijn, zelfs in voorkomend geval tot bij de afsluiting van een rechtszaak.
Op grond van artikel 62 van het BTW-Wetboek is eenieder gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan. De controlerende ambtenaren kunnen bijgevolg vragen stellen in verband met het vermogen van de belastingplichtige, hetgeen in de praktijk voornamelijk gebeurt bij aanvang of stopzetting van de activiteit of bij problemen op het vlak van de invordering. Eveneens kan hiervan gebruik worden gemaakt ter voorbereiding van een grondige controle door een AOIF-controlecentrum.
De aanslag volgens tekenen en indiciën toegepast door de administratie der directe belastingen (artikel 341, WIB 1992) vormt een specifiek bewijs inzake directe belastingen. Deze aanslag, toegepast op een BTW-belastingplichtige mag dus uit dien hoofde niet worden gebruikt om zonder meer het belastbaar omzetcijfer op het stuk van de BTW te wijzigen.
In een dergelijk geval is de BTW-administratie, op grond van artikel 59 van het BTW-Wetboek, evenwel gerechtigd om de aanslag volgens indiciën, als bewijs door menselijke vermoedens, in te roepen om het belastbaar omzetcijfer inzake BTW te bepalen, telkens wanneer er kan vermoed worden dat de supplementaire inkomsten voortvloeien uit een aan de BTW onderworpen beroepswerkzaamheid en dat deze inkomsten niet begrepen geweest zijn in het voor deze belasting aangegeven omzetcijfer. Het bewijs door tekenen en indiciën komt immers overeen met het bewijs door menselijke vermoedens voor zover het toelaat uit een gekend feit (de financiële toestand) het aan te tonen feit (de belangrijkheid van de inkomsten) af te leiden.
Wat de inkomstenbelasting betreft
Artikel 315 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners verplicht is de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, alle boeken en bescheiden waaronder bankbeschei-den voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen. De aanslagambtenaar mag niet eisen dat voormelde bescheiden naar kantoren van de administratie zouden worden gebracht of, a fortiori, dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op een latere bespreking. Stemt de belastingplichtige desalniettemin toe om bepaalde stukken ten kantore voor te leggen en verzoekt hij uitdrukkelijk om een ontvangstbewijs, dan dient de betrokken ambtenaar hem een dergelijk bewijs te overhandigen.
Krachtens artikel 316, WIB 1992 is de hiervoor vermelde belastingplichtige, onverminderd het recht van de administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen, verplicht de administratie schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.
Ik voeg eraan toe dat in het kader van een raming van de belastbare grondslag volgens tekenen en indiciën (artikel 341, WIB 1992) het aan de aanslagambtenaar behoort, zonder de belastingplichtige daarbij te betrekken, deze tekenen en indiciën op te sommen die de onontbeerlijke grondslag vormen van een dergelijke aanslag. Evenwel kan de belastingplichtige het tegenbewijs leveren. Het is in het kader van dit te leveren tegenbewijs dat het voorleggen van financiële rekeningen dient beoordeeld te worden.
Aldus wordt de taxatieambtenaar er dikwijls toe gebracht, teneinde rekening te houden met alle elementen die betrekking hebben op de onderzochte periode, in samenwerking met de belastingplichtige, een vermogensafrekening op te stellen die tegelijk de vermogenstoestand van de belastingplichtige, zijn levenswijze en in feite alle positieve en negatieve elementen van het probleem in beschouwing neemt. Met die handelwijze heeft de taxatieambtenaar echter niet de bedoeling tekenen en indiciën van welstand op te sporen noch de bewijslast om te keren die hem krachtens artikel 339, eerste lid WIB 1992 is opgelegd, maar eenvoudig een meer objectieve en juiste berekening te maken.