Parlementaire vraag nr. 148 van de heer Steven Matheï van 14.01.2020

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/012, d.d. 24.02.2020, blz. 157

Bevrijdende bedrijfsvoorheffing.

VRAAG

Het huidige regime van de bevrijdende bedrijfsvoorheffing van 18 % geldt voor buitenlandse sporters en podiumkunstenaars. Het vindt zijn oorsprong in de belasting der niet-inwoners die bij artikel 314 van de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen grondig werd gewijzigd om zodoende fiscale fraude te voorkomen en de belastinginning te verbeteren.

Aangezien die bedrijfsvoorheffing op de bruto-inkomsten van die sportbeoefenaars wordt toegepast, werd bij de vaststelling van het tarief van 18 % op forfaitaire wijze rekening gehouden met de door hen gemaakte beroepskosten. Hierbij werd trouwens ook, op forfaitaire wijze, rekening gehouden met de kosten van de niet-inwonende sportbeoefenaar.

Artikel 32 van de wet van 28 juli 1992 heeft aan die bedrijfsvoorheffing een bevrijdend karakter verleend. Zo werd een einde gemaakt aan alle praktische problemen die gepaard gingen met de vestiging van de belasting der niet-inwoners ten name van de betrokken sportbeoefenaars.

Uit de praktijk vernemen we echter dat de huidige toepassing nog steeds te complex is en dat niet iedereen in de desbetreffende sectoren goed op de hoogte is van deze regeling en dat dit ook zou gelden voor de lokale controleurs die met deze materie worden geconfronteerd tijdens een controle. Zo worden vandaag op basis van de circulaire van 2002 adviezen en/of attesten (geen rulings) gevraagd van de betrokken centrale dienst Buitenland van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, maar niet iedereen doet dat en lokale controleurs zijn niet altijd op de hoogte van die werkwijze.

Daarnaast wordt de forfaitaire aftrek als te beperkt beschouwd en vindt men dat bepaalde kosten, die worden gemaakt, toch aftrekbaar zouden mogen zijn als kosten eigen aan de werkgever of alleszins niet mee in de belastbare basis zouden mogen worden meegenomen als voordeel alle aard.

Bovendien wordt vaak vastgesteld dat er dubbele belasting optreedt in hoofde van de podiumkunstenaar of sportbeoefenaar, omdat de bevrijdende bedrijfsvoorheffing niet geïndividualiseerd kan worden in gevallen waar de podiumkunstenaars of sportbeoefenaars als vennootschap naar België komen.

Tot slot wordt ook opgemerkt dat de reglementering al jarenlang ongewijzigd is gebleven en dat de nodige informatie en documenten niet op een algemene site en/of infopunt terug te vinden zijn.

1. Bent u bekend met deze problematieken/verzuchtingen? Zo ja, heeft hier dan al met de betrokken sectoren over samengezeten en tot wat heeft dit dan geresulteerd?

2. a) Kan u verduidelijken of de forfaitaire kostenaftrek herbekeken kan worden?

b) Zijn in dat verband vliegtickets en andere reiskosten, die door de Belgische organisator (lees: schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing) worden betaald als bijkomende gage, altijd gelijk te stellen als voordeel alle aard in hoofde van podiumkunstenaar of sportbeoefenaar?

Zo ja, waarom en is het volgens u niet beter om dergelijke kosten als "kosten eigen aan de werkgever" te zien? Zo nee, waarom niet?

3. Wordt de bevrijdende bedrijfsvoorheffing bij podiumkunstenaars/ sportbeoefenaars, die als vennootschap naar hier komen, altijd over de gehele vennootschap geheven zonder het onderscheid te maken met de eigenlijke podiumkunstenaars/sportbeoefenaars, zodat de betaalde prestaties aan bv. meegereisde technici worden meegenomen?

Zo ja, is het dan ook de betrokken vennootschap om intern dat onderscheid te maken en de geheven eindbelasting te individualiseren per podiumkunstenaar/sportbeoefenaar?

Zo ja, creëert dit geen risico op dubbele belasting in de woonstaat, indien er geen verdere individualisatie is van de geheven eindbelasting in België?

4. Gaat de minister ermee akkoord om de huidige circulaire van 2002 te moderniseren?

Zo ja, heeft hij hier al opdracht toe gegeven of past dit niet in lopende zaken?

5. a) Zou het niet nuttig zijn om de benodigde informatie en documenten te bundelen in een infopunt/website? Zo ja, bent u hiertoe bereid?

b) Kan dit aangevuld worden bij de huidige elektronische applicatie van Artist@Work (indien betrekking op podiumkunstenaars), waarbij tevens ook de mogelijkheid geboden zou kunnen worden om alle administratieve verplichtingen en betalingen daar ook in onder te brengen?

Zo nee, waarom niet?

ANTWOORD

De inkomsten die een niet-inwonende podiumkunstenaar of sportbeoefenaar verkrijgt uit een als zodanig in België verrichte werkzaamheid, zijn in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) belastbaar, zelfs indien de inkomsten niet worden toegekend aan de podiumkunstenaar of aan de sportbeoefenaar zelf, maar aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon.

De eindbelasting op deze inkomsten is gelijk aan de aan de bron verschuldigde bedrijfsvoorheffing die eenvormig is vastgesteld op 18 % en is verschuldigd door de schuldenaar, aangewezen in artikel 270, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). De bedrijfsvoorheffing van 18 % geldt niet voor inkomsten die persoonlijk zijn verkregen door sportbeoefenaars die meer dan 30 dagen in België een sportieve werkzaamheid uitoefenden.

Voor de vaststelling van de grondslag van de bedrijfsvoorheffing werd een forfaitaire aftrek voor beroepskosten ingevoerd, die overeenstemt met het gemiddelde bedrag van de basiskosten die door elke podiumkunstenaar of sportbeoefenaar per gepresteerde dag in België worden gedragen.

De niet-inwonende podiumkunstenaars en sportbeoefenaars hebben echter de mogelijkheid om hun werkelijke beroepskosten te bewijzen en hun fiscale toestand te regulariseren via een aangifte in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen).

De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing werden door middel van een bericht (Belgisch Staatsblad van 25 april 1997, 2de editie) geïnformeerd over de gevallen en voorwaarden voor de vrijstelling aan de bron (de bedrijfsvoorheffing), rekening houdend met de overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting. Deze formaliteiten werden vergemakkelijkt door een procedure van voorafgaand akkoord.

De berekeningswijze van de grondslag van de bedrijfsvoorheffing en de procedure van voorafgaand akkoord worden ook uiteengezet in twee circulaires (Ci.RH.244/ 536.588 van 16 oktober 2001 en Ci.R.9 Div./546.156 van 1 februari 2002). Deze circulaires zijn consulteerbaar op de website www.fisconetplus.be.

Zoals het in de circulaire van 2002 wordt uitgelegd, werd er geopteerd voor een eenvormig belastingpercentage van 18 %, dat werd bepaald rekening houdend met de uitgaven die over het algemeen gemaakt worden door professionele podiumkunstenaars/sportbeoefenaars of door ondernemingen gespecialiseerd in de productie van vertoningen of van sportmanifestaties. In deze uitgaven zijn, onder andere, begrepen de verplaatsings- en verblijfskosten, de specifieke kledijkosten (toneelkostuums), de vergoedingen van het vergezellend personeel belast met de logistiek (chauffeur, kapper, schminkster, kleedster, enz.).

Verder bepaalt de circulaire dat de Belgische inrichter in principe bedrijfsvoorheffing verschuldigd is met betrekking tot het volledige bedrag dat aan de podiumkunstenaar, sportbeoefenaar of aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon werd betaald.

Wanneer dit kan worden gestaafd door de vereiste documenten (facturen, onkostennota's, enz.) kan evenwel worden toegestaan dat het aan de bedrijfsvoorheffing te onderwerpen bedrag wordt verminderd met vergoedingen of beloningen betaald of toegekend aan derden voor zekere diensten of werken die niet rechtstreeks verband houden met de artistieke of sportieve prestaties (bijv. het bouwen van decors, de installatie van tribunes, beheer van licht en klank, enz.).

Het stelsel van de bevrijdende voorheffing betreft een gespecialiseerde wereld. De meeste organisatoren zijn dan ook vertrouwd met de procedure van voorafgaand akkoord. Het is mij niet bekend dat er fundamentele toepassingsproblemen zouden zijn en dat de huidige toepassing te complex zou zijn. Mijn administratie werd ook niet gecontacteerd door de betrokken sectoren.

Mocht echter blijken dat er in de praktijk wel ernstige problemen zouden zijn, dan kan u mij deze bezorgen en zal ik mijn administratie vragen om deze te onderzoeken.

Tenslotte merk ik op dat het digitaal platform Artist@work een initiatief is van de FOD Sociale Zekerheid. Enkel kunstenaars kunnen van dit platform gebruikmaken dat is gericht op de toepassing van de Belgische sociale zekerheid. Daar het stelsel van de bevrijdende voorheffing uitsluitend geldt voor niet-inwoners en dus een andere doelgroep betreft, is het niet aangewezen om voormelde fiscale toepassing onder te brengen in dit digitaal platform.