Parlementaire vraag nr. 56003004C van de heer Vincent Van Quickenborne van 25.02.2025
Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2024-2025, CRIV 56 COM 86 d.d. 25.02.2025 blz. 73
De fiscale vrijstelling van inkomsten uit studentenarbeid
VRAAG (van de heer Van Quickenborne)
Mijnheer de minister, het aantal uren studentenarbeid zal worden opgetrokken van 600 naar 650 uur, en dat is een zeer goede zaak. Collega Ronse – hij is hier nu niet aanwezig en kan dus geen persoonlijk feit inroepen – noemde dat historisch, maar ik vind het een stapje vooruit. Het ware historisch geweest mochten we de studenten onbeperkt laten bijverdienen, als zij dat willen.
In het regeerakkoord staat in dat verband ook een zin die mij geïntegreerd heeft – met mijn excuses dat ik het regeerakkoord zo lees, maar u hebt er acht maanden aan gewerkt, dus u bent meester van de teksten. Ik citeer de zin: "De regering zal onmiddellijk de fiscale vrijstelling voor inkomsten uit studentenarbeid verdubbelen." Voor alle duidelijkheid, die zin gaat niet over de nettobestaansmiddelen, want in het regeerakkoord staat daarover een andere zin, namelijk: "We verhogen het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen naar 12.000 euro voor iedereen."
Ik vraag me af wat de fameuze zin dat men onmiddellijk de fiscale vrijstelling zal verdubbelen, precies betekent. Betekent die zin dat u het belastingvrije basisbedrag voor studenten, dat momenteel vastligt op 10.910 euro, zult verdubbelen naar 21.820 euro? Of indien niet, wat wordt er dan precies bedoeld met de verdubbeling van de fiscale vrijstelling? Wat bedoelt u daarnaast met onmiddellijk? Is dat nog dit jaar, of is dat voor volgend jaar?
Vervolgens, indien de belastingvrije som voor studenten wordt verdubbeld, welke budgettaire impact verwacht de regering daarvan? Wat zal dat mogelijk kosten? Is dat effectief doenbaar? Daarmee bedoel ik het volgende. Als u dat enkel doorvoert voor studenten, vraag ik me opnieuw af hoe het zit met de gelijke behandeling van andere categorieën van belastingplichtigen. Ik denk bijvoorbeeld aan jonge werknemers die geen student zijn en die de belastingvrije som dan ook niet zouden zien verdubbelen.
ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen)
Mijnheer Van Quickenborne, u verwart volgens mij de belastingvrije som in artikel 131 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen met de vrijstelling voor studentenarbeid in artikel 143 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. In dat artikel kunt u in het zevende lid lezen dat de bezoldigingen uit studentenarbeid voor inkomstenjaar 2025 tot 3.420 euro niet in aanmerking komen als nettobestaansmiddelen. Het is dat bedrag dat wij zullen verdubbelen.
Wij zullen dat inderdaad doen voor het aanslagjaar 2026. Daarbovenop verhogen wij stevig het maximumbedrag voor de nettobestaansmiddelen naar 12.000 euro.
In uw tweede vraag vraagt u hoe wij dat zullen doen. Wij zullen dat via een wetswijziging doen. Als er al een budgettaire impact is, zal die impact zijn dat studenten niet meer worden bestraft omdat ze een beetje te veel hebben gewerkt en dus wat geld hebben verdiend.
In antwoord op uw derde vraag geef ik u mee dat mijn administratie inderdaad de mogelijke neveneffecten bekijkt. Daarvoor moeten wij heel beducht zijn. Ik vraag u dus ook op dat vlak even geduld te hebben, tot de wetteksten er zijn. Wij zijn ons echter bewust van het feit dat ook op dat punt naar de mogelijke neveneffecten moet worden gekeken.
Vincent Van Quickenborne : Mijnheer de minister, ik dank u voor uw heldere antwoord, dat eigenlijk ook heel relevant is. Op het ogenblik voeren wij in de commissie voor Sociale Zaken immers de discussie over de studentenarbeid.
Mijnheer de minister, ik steun de maatregel om studentenarbeid tot 650 uur toe te laten. Dat heeft echter ook een fiscaal aspect. Collega’s, in het desbetreffende wetsvoorstel en de discussie daarover pleit ik voor de aanpassing van artikel 143, wat de minister net heeft verteld. Weet u wat de arizonameerderheid daarover aangeeft? Zij stelt dat zij dat niet zal doen en niet zal werken op artikel 143. Zij wil werken aan de combinatie van artikel 136 en artikel 141.
Mijnheer de minister, ik merkte op dat die werkwijze niet conform het regeerakkoord is. U blijkt mij gelijk te geven. Ik zal uw antwoord dus straks, tijdens de tweede lezing over het wetsvoorstel, kunnen gebruiken. U hebt immers gelijk. Het is inderdaad veel beter te werken op artikel 143, door het geïndexeerde bedrag van 3.420 euro te verdubbelen naar 6.840 euro.
Ik steun u dus. Ik hoop echter dat u uw antwoord ook doorgeeft aan mevrouw Muylle en de heer Ronse, de auteurs van het bewuste amendement, en dat er eensgezindheid is in de arizonaregering.
Mijnheer de minister, ik dank u dus. Uw antwoord was heel helder. Ik ben u erg erkentelijk.
