Parlementaire vraag nr. 607 van de heer de Clippele van 21.06.1993
VRAAG 93/607
Bull. nr. 732, pag. 3281
Cliënteel. - Afschrijving.
Wanneer de investeringswaarde van een cliënteel niet definitief bekend is omdat ze afhankelijk is van toekomstige gegevens (bijvoorbeeld de toekomstige winst of omzet), wordt de fiscale afschrijving van die cliënteel berekend aan de hand van een eenvormig lineair percentage op elk gedeelte van de investeringswaarde dat later effectief wordt verwezenlijkt naargelang van voornoemde gegevens.
1. Hoe vallen voormelde fiscale afschrijvingsmodaliteiten te verzoenen met advies nr. 126/10 van de Commissie voor de boekhoudkundige normen (bulletin nr. 30 van februari 1993) ?
2. Op wat voor een juridische logica en economische realiteit berusten die fiscale modaliteiten eigenlijk ?
ANTWOORD
Ik meen er het geacht lid vooreerst te moeten aan herinneren dat de boekhoudreglementering inderdaad van toepassing is in fiscale zaken, behoudens en in de mate waarin de fiscale wetgeving er uitdrukkelijk zou van afwijken.
Welnu, het artikel 63 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wijkt af van de boekhoudwetgeving in die zin dat voor de afschrijving van sommige immateriële vaste activa (inzonderheid het cliëntele) de methode wordt opgelegd van vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 5 mag bedragen.
Onder "vaste annuïteit" dient te worden verstaan de lineaire afschrijving die wordt verkregen door, op de aanschaffings- of beleggingswaarde van het af te schrijven bestanddeel, een onveranderlijk percentage toe te passen dat wordt bepaald in functie van de normale gebruiksduur van het betreffende immaterieel vast actief.
De voormelde bedoelde afschrijvingsmethode vloeit voort uit uitdrukkelijke bepalingen van de fiscale wetgeving en dient bijgevolg onafhankelijk van de boekhoudwetgeving te worden toegepast.
Voor het overige meen ik er best aan te doen het geachte lid te verwijzen naar het antwoord dat ik heb verstrekt op zijn vraag nr. 199 van 9 september 1992 (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, gewone zitting, 1992-1993, nr. 39, van 14 december 1992, blz. 2927).
Bron: FisconetPlus
